One health - Boyd Berends
One health is binnen de KNMvD een belangrijk begrip. Niet voor niets was het thema van het jaarcongres in 2010 “Indringende zaken” met sprekers als Ab Osterhaus en Roel Coutinho. “De gezondheid van mens en dier heeft alles te maken met de mens-dier-interactie,” meent Boyd Berends.
Boyd Berends is specialist veterinaire volksgezondheid. “Ik promoveerde op de transmissie van schadelijke bacteriën richting de mens vanuit de dierhouderij; de toxische effecten van diergeneesmiddelen die gebruikt worden bij de opfok van dieren, en de transmissie van resistentiefactoren en resistente bacteriën vanuit de dierhouderij. Zeker dat laatste is uiterst actueel.”
Het is een vakgebied waarin hij nog steeds actief is. “Specifiek houd ik me bezig met kwantitatieve risicoanalyses: ‘hoe groot is nu de kans dat iemand X of Y oploopt?” Daarnaast doceert hij aan de faculteit Diergeneeskunde onder andere veterinaire milieukunde, veterinaire wet- en regelgeving, arbeidsomstandigheden voor dierenartsen en epidemiologie van zoönosen.
Dierenarts centrale speler
Voor de KNMvD was hij zijdelings betrokken bij de arbo-catalogus voor de veterinaire praktijk. “Er is nog steeds discussie over in hoeverre wij zelf moeten zorgen voor een lijst met schadelijke agentia waar een dierenarts mee te maken kan krijgen.” In bestaande externe lijsten mist hij informatie over de belangrijkheid van de microbiologisch bacteriën én informatie over voorzorgsmaatregelen.
“Elke practicus is bezig met veterinaire volksgezondheid. Een groot deel van de cara-klachten bij kinderen is toe te schrijven aan spoelwormen. Goed ontwormen betekent dus een bijdrage leveren aan veterinaire volksgezondheid.” Hij pauzeert even. “Als je een spuit in een dier steekt, ben je bezig met public health, in de zin van de residuenproblematiek. Bij alles wat je doet, moet je eraan denken.”
Tot heil van mens en dier
Bij de jonge dierenartsen wordt het alert zijn op volksgezondheid ‘door het hele handelen heen doordesemd’, stelt Berends. Maar het is ook belangrijk dat in de top van organisaties als het RIVM, de nVWA en het ministrie van EL&I veterinaire kennis aanwezig is. “Het is belangrijk dat daar mensen zitten met vakinhoudelijke kennis, die de risico’s kunnen inschatten en prioriteiten kunnen stellen.” Naar zijn idee is het niet voldoende als adviseurs en beleidsmedewerkers over veterinaire kennis beschikken. “Bij de handel in dieren en producten van dierlijke oorsprong, bij welzijnsvraagstukken, bij het bepalen van toezicht is de vakinhoudelijk kant uiterst belangrijk. De KNMvD kan dit als vertegenwoordiger van de dierenartsen duidelijk maken op het juiste niveau.”
Tijdens de Q-koortscrisis vorig jaar is de KNMvD volgens hem voldoende proactief naar buiten toe opgetreden. “Dat is wel een goed voorbeeld van hoe het moet. Wat dat betreft hadden we natuurlijk leergeld betaald tijdens de varkenspest en de MKZ. Daar hebben veel mensen trauma’s opgelopen: dierhouders én dierenartsen.”
Voor de toekomst kijkt hij serieus naar ESBL’s. “Er wordt net gedaan alsof dat eenrichtingsverkeer is van de kip naar de mens, maar zo werkt dat dus niet. Het gaat om kringlopen, het zijn allemaal stromen. Ik geloof dat zo’n 15-20% van de resistentieproblematiek afkomstig is uit de veehouderij. Dat betekent dus dat 85-80% humaan is. Stel dat we al het vlees gaan decontamineren, dan verwacht ik niet dat de problematiek humaan enorm zal afnemen. Maar de circa 20% die is toe te schrijven aan het veterinaire antibioticumgebruik zou eigenlijk 0% moeten zijn. Het motto van de faculteit is tenslotte niet voor niets "Tot heil van mens en dier".
Links
Dossier Werk & Gezondheid (voor leden)
Arbo-catalogus KNMvD
Terug