Als je Roos Vonk heet, hoogleraar sociale psychologie bent, populair wetenschappelijke boeken en columns schrijft over populair menselijke thema’s als liefde en relaties, dan is je blijkbaar veel vergeven. Dan mag je gewoon in het NRC roepen dat intensieve veehouderij van eenzelfde pot nat is als de holocaust. Je mag van uitvergroting naar stereotypering springen en doen alsof iedereen die gewoon zijn stukje schijf van vijf in de winkel koopt een criminele daad verricht.

Hou toch op!
Begin nu eens met uit te leggen waartoe dit artikel dient. Wie helpt het vooruit? De dieren? Hun welzijn? Welnee. Het polariseert, het jut op, het leidt ertoe dat iedereen zich ingraaft in zijn loopgraven. Nog los van het mogelijk minder belangrijk maken van menselijk leed (niet zo bedoeld staat erbij), is de onderliggende boodschap dat boeren gelijk zijn aan kampbeulen. Of is dat ook zo niet bedoeld?

Het is verleidelijk om te vragen of een leeuw zich ook drie keer bedenkt voor hij achter een antilope aanrent. Omdat hij zich realiseert dat de ander lijdt. Om je de skyline van New York of Shanghai voor te stellen waarin mensen het zelf blijkbaar met miljoenen tegelijk heerlijk, of op zijn minst prima, vinden om tussen metaal en beton te wonen. Om je af te vragen of je het dan ook een goed idee moet vinden dat de muizen in rotten van drie door je keukenkast scharrelen want zowel een kat, als een muizenklem en gif leiden tot mensonterend muizenleed.

Maar dat is flauw.
Een dier in de veehouderij is inderdaad een productiedier. Leverancier van bijvoorbeeld melk, eieren en vlees. Maar ook zorgen ze voor mest voor op het land, wol voor truien en veren voor donzen dekbedden. Maar ook het leer voor tassen, schoenen en riemen. Het leven van een productiedier is zeker nooit voor niets geweest. Met elk onderdeeltje kunnen wij mensen iets. Daarom houden we dieren, al heel erg lang. Zo houden we overigens ook andere dieren. Honden en katten als aangekocht gezinslid. Vissen om naar te kijken. Is dat moreel anders dan het houden van productiedieren? De mensen die productiedieren houden; boeren, verkopen die producten. Dat is ook logisch sinds de mens handel drijft. Dat mag je verwerpelijk vinden, maar dan drijft de discussie ver af.

Als je vindt dat productiedieren houden ‘mag’, en dat je daar ook je inkomen mee ‘mag’ verdienen, dan kom je eindelijk tot de discussie over ‘hoe dan’. Hoe houd je dieren, op een manier waarop de boer er zijn boterham mee kan verdienen, het dierlijk welzijn zo optimaal mogelijk is, de volksgezondheid niet in het geding komt en ook het milieu zo schoon mogelijk blijft? Dat is de discussie die we moeten voeren. Het zou iedereen helpen, de dieren voorop, als we die discussie openlijk met elkaar voerden. Op een constructieve toon. Met respect voor elkaars mening. Daar hebben we geen idiote vergelijkingen voor nodig. Geen non-discussie over het wel of niet mogen vergelijken van intensieve veehouderij met een gruwelijke oorlogsverleden.

Binnen de diergeneeskunde voeren we die discussie volop. Hoe kunnen wij ‘duurzame diergeneeskunde’ bedrijven binnen een duurzame dierhouderij? Hoe kunnen wij tegelijkertijd staan voor diergezondheid, volksgezondheid en dierwelzijn, onze core business?

Om een dergelijke discussie goed te kunnen voeren moet je goed communiceren, elkaar verbaal en non-verbaal begrijpen, drogredenen herkennen en benoemen. Interacties met andere mensen aangaan. Zolang praten mét dieren nog onmogelijk is kun je goed praten óver dieren met elkaar. Dat lijkt me voor een groot deel behoren tot de core business van mevrouw Vonk. Daarom zou ik haar op willen roepen de dieren te helpen door mensen te helpen. Door mensen niet tegen elkaar op te zetten maar te zoeken naar gemeenschappelijk draagvlak. Voor een dierhouderij die duurzaam is. Dat moet toch kunnen? 

Merel Langelaar