‘Als jij kinderen krijgt word je vast een strenge moeder’, zei  een vriendin mij ooit, ongevraagd. Aangezien het niet direct het beeld was dat ik van mezelf zou hebben, en er van kinderen op dat moment geen sprake was, vroeg ik om opheldering. ‘’Niet zeuren’ is jouw credo, dat mogen je kinderen dan vast ook niet.’ Ze heeft wel een beetje gelijk gekregen denk ik. De verwijten zullen nog wel komen.

‘Hebben jullie nog een ploegje diergeneeskundestudenten ter beschikking?’ vroeg het uitzendbureau. Er moest een tentoonstelling worden opgebouwd en weer afgebroken. Wij diergeneeskundestudenten hadden de naam flink door te kunnen sjouwen.

‘Die AIO’s die ook dierenarts zijn, daar word ik gek van’, zei de analist waarmee ik zij aan zij de experimenten voor mijn proefschrift bij elkaar pipetteerde. Ik keek hem vragend aan. ‘Jullie dierenartsen werken altijd zo lang door. Totdat het allemaal klaar is’. Dat leek mij nou logisch, je laat ook je halve spreekkamer niet vol zitten, maar blijkbaar kun je werk toch ook op een andere manier organiseren.

‘Moet hij nou alweer weg? We zitten toch gezellig met z’n allen te eten? Kan het niet even wachten?’ vroeg het gezelschap toen mijn man werd weg geroepen. Ik trok een wenkbrauw op. ‘Hij heeft dienst’. Het gezelschap trok nu een wenkbrauw op. ‘Ja, maar, je moet toch kunnen eten?’ Wederzijds onbegrip. Ik was blij dat ik vrouw van mijn man was, want ook dierenarts en tenminste met begrip voor de zaak.

Inmiddels is er veel geschreven en nageschoold over de werk-privébalans en je grenzen bewaken. Over werken omdat je nu eenmaal een inkomen moet hebben om te leven, en niet leven om te werken. Over je eigen identiteit en dat je die niet aan je werk zou moeten ontlenen. Ik hoor van jongvolwassen vrouwen, hoogopgeleid, dat ze kiezen voor óf een carrière óf het krijgen van kinderen omdat de combinatie onmogelijk zou zijn. Jonge mannen willen evenmin nog per definitie een volle werkweek maken.

Ik  heb het altijd prettig gevonden, dat wij dierenartsen te boek staan als sjouwers en sleurders, die er een ongelofelijke klap werk doorheen kunnen duwen. Ik vind dierenarts-practicus zijn wel een beetje een ‘way of life’. Een prettige, maar zeker ook een tijd consumerende. Dat hoort er nu eenmaal bij. Klaar staan voor het dier en de klant. Een vak waar je veel plezier en genoegdoening uit kunt halen, waarmee, wat mij betreft, die hele werk-privebalans wat onduidelijk wordt maar er ook zoveel niet toe doet. Daarmee ben ik geneigd, als ik heel eerlijk ben, om het misschien gezeur te vinden, als mensen de diergeneeskunde alleen in afgepastere blokjes  willen  beoefenen. Maar ja. Tegelijkertijd is dat blijkbaar een ouderwetsig  soort arbeidsethos. En nogal streng.

De grote vraag is wel, hoe ziet praktijk van de nabije toekomst er uit? De tijden zijn veranderd en terecht, het is logisch dat mensen niet meer per definitie willen werken op de manier zoals dat altijd ging. Met lange dagen en voortdurende beschikbaarheid. Maar hoe richt je dat dan in? Diensten zullen er wel blijven?  Is er een verband tussen loyaliteit aan de praktijk en het aantal werkuren? Hoe blijft het betaalbaar met een heleboel parttimers? Hoeveel extra tijd kost dan deugdelijke patiënten overdracht? Komt er een enorme tweespalt tussen de praktijkeigenaren en hun werknemers? Zijn ketens de oplossing, of het probleem? Tijd voor een goed gesprek, collega’s!

Merel Langelaar,

merellangelaar@knmvd.nl

0622481963