Optimale gezondheid van mens, dier en milieu en de samenwerking en kennisoverdracht om dat te bereiken, is wat men het ‘One Health­concept’ noemt. Infectiepreventie en ‘biosecurity’ in de dierenartsenpraktijk en op veehouderijen zijn belangrijk om overdracht van infectieziekten van dier naar mens tegen te gaan. Voor de veterinaire praktijk gelden in principe dezelfde richtlijnen voor infectiepreventie als voor zorginstellingen en theoretisch is de infectiepreventie vergelijkbaar met de humane sector.

Maatregelen zoals ‘search and destroy’, actieve monitoring en vaccinatie kunnen de overdracht van pathogenen tegengaan. Een verschil met de mens, maar ook verschillend tussen diersoorten, is de (on)mogelijkheid om individuele dieren te behandelen bij bijvoorbeeld commercieel gehouden pluimvee.

Voor zoönotische infecties wordt onderscheid gemaakt tussen voedselgebonden en niet-­voedselgebonden infecties. Het voorkómen van voedselinfecties begint op de boerderij (‘farm­to­fork’) of soms zelfs daarvoor al. Een aantal zoönosen komt nauwelijks meer voor door diverse interventiemaatregelen, maar voortdurende bewaking blijft noodzakelijk. Denk aan rundertuberculose (Mycobacterium bovis), trichinellose of melkerskoorts (Leptospira hardjo).

Factoren die de maatregelen kunnen compliceren zijn bijvoorbeeld de kosten. Maar ook: commercieel gehouden dieren die voor welzijnsredenen buitenuitloop hebben, kunnen vanuit oogpunt van dierziektebestrijding beter binnen gehouden worden. Dierenwelzijn en voedselveiligheid zijn dan in strijd met elkaar. En soms zijn er veilige producten beschikbaar en kiest de consument voor een onveilige variant, zoals in het geval van rauwe melk.

Het One Health­concept waarbij gezamenlijk vanuit mens, dier en milieu wordt gewerkt aan infectieziektenbestrijding is effectief gebleken bij de bestrijding van een scala van zoönotische infecties.

Lees het hele artikel