TEKST ALIËTTE JONKERS, WETENSCHAPSJOURNALIST

Honden in Nederland vaak blootgesteld aan vogelgriep

Wetenschappelijk diergeneeskundig onderzoek wordt pas écht interessant als de toepassing in de praktijk in zicht komt. In zes vragen en antwoorden leggen wetenschappers uit waarom hun onderzoek van belang is voor dierenartsen. In deze aflevering: Josanne Verhagen, dierenarts en veterinaire viroloog. Zij begeleidt promovenda Mirjam Duijvestijn aan Universiteit Utrecht bij haar onderzoek naar blootstelling van Nederlandse honden aan hoogpathogene aviaire influenzavirussen.

WAT WAS DE AANLEIDING VOOR DIT ONDERZOEK?
“Al langer weten we dat honden geïnfecteerd kunnen raken met vogelgriepvirussen en dat ze daar soms ook ernstig ziek van kunnen worden. De eerste beschrijving daarvan stamt al uit 2004, bij een hond in Thailand. Sinds 2020 zien we wereldwijd een enorme toename in de circulatie en varianten van hoogpathogene aviaire influenzavirussen. Dat riep voor ons de vraag op hoe vaak Nederlandse honden – zowel jachttrainingshonden als huishonden – daadwerkelijk met deze virussen in aanraking komen. Daarnaast wilden we in kaart brengen welke risicofactoren daarbij een rol spelen en of honden die aan vogelgriepvirussen worden blootgesteld, ook blootgesteld raken aan humane influenzavirussen.”
HOE IS HET ONDERZOEK UITGEVOERD?
“Voor dit onderzoek wilden we de blootstelling aan vogelgriepvirussen vaststellen bij verschillende groepen honden en mogelijke risicofactoren in kaart te brengen. Daarom analyseerden we bloedmonsters en ‘swabs’ van 143 jachttrainingshonden en 45 honden die via dierenartsen waren aangemeld na recent vogelcontact. In deze groepen verwachtten we een verhoogd risico op blootstelling. Als serologische controlegroep gebruikten we surplus-sera van 350 honden met een onbekende blootstelling aan vogels. Ook onderzochten we swabs en longweefsel van 207 sectiehonden, eveneens met onbekende blootstelling, als virologische controlegroep. Binnen de groep jachttrainingshonden gebruikten we een enquête om mogelijke risicofactoren voor blootstelling aan vogelgriepvirussen te analyseren.”
WAT ZIJN DE BELANGRIJKSTE BEVINDINGEN?
“De belangrijkste uitkomsten zijn dat jachttrainingshonden vaker blootgesteld werden aan vogelgriepvirussen dan huishonden. In onze studie zagen we een H5-seroprevalentie van 13,3 procent bij jachttrainingshonden, tegenover 3,7 procent bij huishonden. In de kleine groep honden die via dierenartsen waren aangemeld omdat ze recent contact hadden gehad met een zieke of dode vogel, vonden we één seropositieve hond op 45. Daartegenover staat dat we bij huishonden juist vaker antistoffen tegen humane seizoensgriepvirussen (H1N1) vonden dan bij jachttrainingshonden: ongeveer 7 procent tegenover 1 procent. Dat past bij het beeld dat die dieren dichter op mensen leven. Daarnaast zien we dat contact met vogels in of bij het water een duidelijke risicofactor is voor blootstelling aan H5.”
IN DE JACHTTRAININGHONDENGROEP HADDEN HONDEN DIE ALLEEN TRAINDEN, VAKER H5ANTISTOFFEN DAN HONDEN DIE DAADWERKELIJK MEEGINGEN OP JACHT. HOE DUIDEN JULLIE DAT?
“Dat was inderdaad een opvallende bevinding. In de analyse zagen we dat jachttrainingshonden die daadwerkelijk voor de jacht worden ingezet, mínder vaak H5-seropositief waren dan honden die alleen trainen. In de paper staat dat als een ‘odds ratio’ van 0,56. Dat verschil is niet significant, maar het valt wel op. Een mogelijke verklaring is dat de indeling ‘wel of niet gebruikt als jachthond’ niet volledig weergeeft op welke manier de honden zijn betrokken bij de jacht. We weten bijvoorbeeld niet op welke diersoorten er wordt gejaagd – bijvoorbeeld watervogels of juist konijnen –, hoe vaak honden worden ingezet en in wat voor gebieden: waterrijk of minder waterrijk. Zulke verschillen kunnen veel uitmaken voor de daadwerkelijke blootstelling aan met H5 geïnfecteerde vogels.”
VORIGE MAAND BEZWEEK IN NEDERLAND EEN NEST KITTENS AAN H5N1. HOE VERHOUDT ZO’N CASUS ZICH TOT DE BEVINDINGEN OVER BLOOTSTELLING BIJ HONDEN IN DIT ONDERZOEK?
“Wij doen zelf ook serologisch onderzoek naar vogelgriep bij katten. Daaruit bleek dat vooral zwerfkatten vaak antistoffen tegen vogelgriepvirussen hebben. Een volwassen kat is waarschijnlijk al vaker blootgesteld geweest aan milde of laag-pathogene griepvarianten. Misschien treedt er dan een vorm van kruisbescherming op: dat zou verklaren waarom de kittens aan het virus stierven, terwijl de moederkat en de andere volwassen katten op de boerderij in deze casus niet ziek werden. In ons onderzoek met de honden waren de dieren klinisch gezond en tenminste een jaar oud. Geen enkele hond was PCR-positief. Dat past natuurlijk bij influenza als acute infectie: het virus kun je immers maar korte tijd aantonen, terwijl antistoffen veel langer meetbaar blijven. Het laat zien dat honden een H5-infectie dus ook subklinisch kunnen doormaken. Maar wat dit betekent voor heel jonge honden, kunnen we op basis van deze studie nog niet zeggen. Daar is meer onderzoek voor nodig.”
TERUG NAAR DE HONDEN: WAT BETEKENEN DE BEVINDINGEN VOOR DE DAGELIJKSE PRAKTIJK VAN DIERENARTSEN?
“In de praktijk kunnen dierenartsen eigenaren adviseren om honden in risicogebieden – dus waterrijke gebieden met veel watervogels, zeker tijdens uitbraken – aan de lijn te houden en contact met zieke of dode vogels te vermijden. Dit sluit aan bij de adviezen van NVWA en RIVM. Dierenartsen zijn hier al alert op, maar dit onderzoek kan die alertheid hopelijk nog vergroten. Zie je honden die wél klachten hebben – denk aan neus- of ooguitvloeiing, koorts, sloomheid of neurologische verschijnselen – én contact met zieke of dode vogels hebben gehad? Dan is het goed om vogelgriep als mogelijke oorzaak in het achterhoofd te houden.”
MEER WETEN? Scan de QR-code.

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen