Trends uit de GD monitoring januari 2026

De diergezondheidsmonitoring is een laagdrempelig en vrijwillig systeem dat een breed vangnet biedt voor het zo vroeg mogelijk opvangen van signalen over diergezondheid. Deze signalen zijn afkomstig uit verschillende elkaar aanvullende monitoringsinstrumenten, zoals de Veekijker, pathologisch- en laboratoriumonderzoek en data-analyse, en worden door GD onderzocht, gebundeld en geanalyseerd. In deze tweemaandelijkse rubriek delen dierenartsen van GD bevindingen uit de monitoring.

Oogafwijkingen door closantel-intoxicatie bij schapen

Tekst Nienke Snijders-van de Burgwal, dierenarts afdeling kleine herkauwers, Royal GD.

In augustus werd de Veekijker geraadpleegd over een koppel lammeren waarin meerdere dieren bilaterale blindheid vertoonden. De dieren waren lichtschuw en vertoonden mydriasis. Er trad binnen enkele weken na het vaststellen geen verbetering op. Het koppel bleek recentelijk ontwormd met een closantel-preparaat. Uit pathologisch onderzoek van een geëuthanaseerd aangetast dier bleken beide ogen retinalaesies te vertonen, welke passend zijn bij een intoxicatie met closantel.

De werkzame stof closantel is een synthetisch haematofaag anthelminticum dat behoort tot de groep van de salicylaniliden. In Nederland wordt closantel hoofdzakelijk gebruikt voor de behandeling van leverbotinfecties bij schapen en runderen. Closantel kan worden ingezet in enkelvoudige en meervoudige antiparasitaire preparaten. Closantel heeft een smalle therapeutisch breedte. Retinale toxiciteit en optische neuropathie is al beschreven vanaf tweemaal de aanbevolen dosering van 10 milligram per kilogram lichaamsgewicht. Verschijnselen treden op binnen enkele dagen tot weken na behandeling. Dieren in een slechte conditie en/of met hypoalbuminemie hebben een groter risico op intoxicatie. In de meeste gevallen is de retinale en neurologische schade irreversibel, met permanente blindheid tot gevolg.

Het onderdoseren van anthelmintica is een belangrijke risicofactor voor het ontwikkelen van parasitaire populaties met anthelminticaresistentie. Overdoseren kan daarentegen in het geval van de meeste anthelmintica weinig kwaad, behalve bij middelen met een smalle therapeutische breedte zoals closantel- en levamisolpreparaten. Voor een optimale effectiviteit is het aan te raden dieren voorafgaand aan een ontwormingsbehandeling eerst te wegen. Voor koppels met een beperkte gewichtsvariatie is doorgaans het advies om te doseren op het zwaarst aanwezige dier om onderdosering te voorkomen. In het geval van koppels met veel gewichtsvariatie of de keuze voor closantel en levamisol ligt dit wat genuanceerder. De effectiviteit van de behandeling kan worden gecontroleerd door tien tot veertien dagen later een mestonderzoek te verrichten. Voor levimasol geldt dat een EPG-reductie bepaald kan worden op zeven dagen na behandeling.

Mydriasis bij lam met closantel intoxicatie. (bron: D. Boon)
Verhoogd aantal contactmomenten en diagnoses longworm

Tekst Team Monitoring, afdeling rund, Royal GD.

Het afgelopen kwartaal waren er meer contactmomenten bij de Veekijker over longworm dan in hetzelfde kwartaal vorig jaar. Ook bij pathologisch onderzoek werd de diagnose longworm vaker gesteld. Opvallend was de leeftijd van de dieren: tussen 13 en 24 maanden, terwijl longworm doorgaans vaker voorkomt bij jongere dieren in hun eerste weideseizoen. Daarnaast waren de infecties ernstig tot zeer ernstig, met veel volwassen wormen in de longen en luchtpijp. Dit sluit aan bij het beeld van de afgelopen jaren: meer en ernstigere problemen door longworm bij oudere dieren en melkkoeien. Een mogelijke verklaring voor de stijging is het gunstige weer van afgelopen zomer voor de ontwikkeling van longworm.

Longwormen op de tong.
Longwormen in de bronchus.

 

 

Klinische verschijnselen bij vogelgriep

Tekst: Mirthe de Wit, dierenarts afdeling pluimvee, Royal GD.

Sinds oktober zijn er veel vogelgriepuitbraken, zowel in Nederland als in omliggende Europese landen. De klinische verschijnselen bij commercieel pluimvee variëren sterk per koppel.

Bij eierleggend pluimvee waren er gevallen met plots verhoogde uitval en lage morbiditeit, maar ook bedrijven met juist veel zieke dieren. Deze vertonen sloomheid, bolzitten, conjunctivitis, cyanose van kam en lellen, benauwdheid en/of waterige, groene diarree. Bij sectie varieerden de bevindingen van geen afwijkingen tot een rode trachea, puntbloedingen op serosa, op het hart, onder het sternum en soms in de kliermaag, een reactieve milt en acute peritonitis. Bij opfokleghennen liep de uitval langzaam op en waren er nauwelijks zieke dieren zichtbaar. Dode hennen hadden blauwverkleuring van de poten. Bij sectie waren er soms bloedingen in de spier- en kliermaag en meerdere dieren met een geïrriteerde trachea. Ook bij vleeskuikens varieerde de kliniek sterk. Soms was er een wat rustiger koppel met enkele slome, koortsige dieren, soms was er acuut hoge uitval met lage tot afwezige morbiditeit. Vaak werden cyanose van kam en soms poten, dikke koppen, conjunctivitis en incidenteel neurologische verschijnselen gezien, zoals torticollis of een slappe nek. Bij sectie werden frequent een nat of bloederig aspect van de trachea, miltzwelling, ascites, leverzwelling en soms bonte of bloedrijke borstspieren gezien; daarnaast kwamen puntbloedingen op hart of kliermaag en sporadisch bloedingen in de poothuid voor. Bij vleeseenden viel vooral sterfte voorafgegaan door neurologische verschijnselen op.

Bij vermeerderingseenden waren sterfte en morbiditeit laag tot afwezig. Daarentegen was er een zeer sterke daling in voeropname en eiproductie. Twijfelt u over het klinisch beeld? Neem dan contact op met de Veekijker via (088) 202 55 55. Bij een vermoeden van vogelgriep moet dit gemeld worden bij de NVWA.

Steeds meer bekend over nieuwe parvo-variant

Tekst Tijs Tobias, dierenarts afdeling varken, Royal GD.

De Veekijker ontving het afgelopen jaar tientallen meldingen van bedrijven waar varkens werden gezien met bilaterale exophthalmos, strabismus en erytheem. In juli hebben we geconcludeerd dat de meest waarschijnlijke oorzaak hiervoor een variant is van het parvovirus. Daarnaast is nu ook met in situ hybridisatie (ISH) aangetoond dat viraal genetisch materiaal aanwezig is in de celkernen van onder andere levercellen en nierepitheelcellen. Opvallend hierbij is dat ISH-onderzoek van huidweefsel en ogen negatief uitvalt.

GD volgt zowel in Nederland als op individuele bedrijven het verloop van de infectie. In enkele gevallen wordt een duidelijke toename van klinische problematiek gemeld. Hierbij wordt ook een toename genoemd van het antibioticumgebruik en de uitval, mogelijk vanwege secundaire problemen. Beperkt onderzoek op omgevingsmonsters van bedrijven wijst daarnaast uit dat viraal DNA vrijwel overal wordt gevonden; onder de laarzen, op de wand van hokken en ook aan drinknippels.

Parvovirussen zijn zeer resistent en zonder aanvullende hygiënemaatregelen is het onwaarschijnlijk dat het virus verdwijnt. Een eerste piek van klinische verschijnselen verdwijnt na vier maanden. De lange termijneffecten van deze nieuwe infectie zijn reden om dit verder op te volgen in samenwerking met diverse partners.

Binnenkort kunt u het parvovirus ook selecteren in de Online Monitor als waarschijnlijkheidsdiagnose. Voor het doorgeven van signalen of het stellen van vragen kunt u contact opnemen met de Veekijker: (088) 202 55 55 (optie 2).

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen