‘We rouwen soms meer om de dood van een huisdier dan om een vriend’ is de titel van een artikel in Filosofie Magazine. De bewering wordt onderbouwd met een wetenschappelijk artikel over persisterende rouw. Carlo Leget, hoogleraar zorgethiek aan de Universiteit voor Humanistiek, kijkt er niet vreemd van op. We brengen meer tijd met onze huisdieren dan met de meeste van onze goede vrienden. Maar hij merkt wel op dat er in elke cultuur onuitgesproken regels zijn over hoe we moeten rouwen, hoe lang en om wie. We kennen daarbij verschillende zwaartes toe aan de wezens of dingen die we verliezen. Het verlies van een mens is erger dan van een dier, is zo’n impliciete regel. Zo is veelzeggend dat voor het stellen van de diagnose persisterende rouwstoornis het verlies van een huisdier tot voor kort niet ‘meetelde’. Met als gevolg dat mensen die hun huisdier verliezen, náást hun verdriet ook nog schaamte en eenzaamheid ervaren, omdat ze zo van slag zijn. Volkomen onterecht, want rouw is geen doorsnee verdriet. Het hangt samen met een diepe behoefte aan veiligheid: het idee dat de wereld enigszins voorspelbaar is en dat we ons er thuis voelen. Juist het wegvallen van een huisdier – of moet ik zeggen ‘thuisdier’ – zet dat thuisgevoel bij uitstek op z’n kop.
Ik heb het artikel in Filosofie Magazine een paar keer gelezen om goed tot me door te laten dringen wat dit eigenlijk betekent voor ons als veterinaire professionals. De erkenning dat huisdieren érg belangrijk zijn voor ons thuisgevoel in deze wereld, voor sommigen nog meer dan vrienden, werpt wat mij betreft een nieuw licht op goede diergeneeskundige zorg. Vooral in de aanloop naar het levenseinde. Patiënten en hun eigenaren stellen ons vrijwel dagelijks voor de keuze ‘doordokteren of euthanasie’. Het is onvermijdelijk dat bij die afweging de betekenis van het dier voor zijn eigenaar een belangrijke rol speelt. En dat de steeds groter wordende betekenis van het bovengenoemde ‘thuisgevoel’, de balans vaker doet doorslaan naar levensverlengende behandelingen. Het lijkt me in die context steeds zwaarder worden om grenzen te stellen aan zorg, iets waartoe we gezamenlijk worden opgeroepen als dierenartsen. Het hoort bij onze professie om bij de keuze voor levensbeëindiging de belangen van het dier in kwestie zwaar te laten meewegen. Maar wat als je met de keuze voor euthanasie, de eigenaar in een zwart gat helpt? Het lijkt me niet ondenkbaar dat je ook dáárvan wakker ligt als veterinaire professional, zeker als er eigenlijk nog een sprankje hoop was. Wij voelen het aan ons hartje.
Naast deze toenemende mentale druk op veterinaire professionals is er nog het kostenaspect, dat momenteel onder het vergrootglas ligt van onder meer de Autoriteit Consument en Markt. Wat mij betreft is het wrang dat de roep om méér en steeds hoogwaardigere zorg, omdat het dier zo essentieel voor ons is geworden, nog steeds wordt beschouwd als zakelijke dienstverlening. De ACM spreekt simpelweg van ‘consumenten’ in plaats van eigenaren. De autoriteit vindt dat onze ‘markt’ niet goed functioneert, met name in de spoedzorg. Er moet meer keuzevrijheid zijn, juist buiten reguliere werktijden. En meer concurrentie graag, want dat drukt de prijzen. Dat moge een economische wetmatigheid zijn, maar ik vraag me in alle ernst af of meer concurrentie ons gaat helpen om de kosten van diergeneeskundige zorg te beteugelen. Ik zie zelf meer in aanvaarding dat het bezit van een huisdier een steeds grote verantwoordelijkheid is geworden, met gevolgen voor de kosten van diergeneeskundige zorg. Dat vraagt zeker om meer en betere uitleg van onze kant, een uitdaging die we met liefde oppakken in het kader van transparantie. Maar vooralsnog denk ik dat eigenaren meer gebaat zijn bij collegialiteit en samenwerking tussen veterinaire professionals dan bij concurrentie. En indien mogelijk: bij een vertrouwd gezicht in de dierenartsenpraktijk van hun keuze. Ik zie eigenaren dan ook niet als consumenten, maar als dierbaren van onze patiënten.