Hond en kat vaccineren of eerst serologisch testen?

Consensus naar aanleiding van een rondetafelgesprek

Hond en kat worden volgens de huidige richtlijnen na de basisvaccinatie meestal om de een tot drie jaar gevaccineerd. Dit is afhankelijk van de infectieziekte en het type vaccin (levend versus geïnactiveerd).

In plaats van een hervaccinatie is het ook mogelijk een titerbepaling te doen. Een eerste overleg hierover vond plaats tijdens een ronde-tafelbijeenkomst op 29 november 2016 op initiatief van Merial Animal Health, waarbij fabrikanten, onderzoekers, practici en overheid hun inbreng hadden (NVWA, LICG, Merial, Vaccicheck, Idexx, Dibevo). Deze consensus heeft als doel de dierenarts informatie te geven met betrekking tot de beschermingsduur na vaccinatie of na een positieve titerbepaling, zowel richting de eigenaar als de NVWA.

Uit onderzoek is inmiddels bekend dat we honden en katten niet meer jaarlijks hoeven te vaccineren tegen een aantal belangrijke infectieziekten. Het betreft een deel van de zogenaamde ‘core vaccins’ die, volgens de laatste richtlijnen van de WSAVA (World Small Animal Veterinary Association), de AAHA (American Animal Hospital Association) en ABCD (Advisory Board on Cat Diseases), onafhankelijk van de omstandigheden en geografische locatie toegediend dienen te worden aan alle dieren.

 

Beschermingsduur na vaccinatie

Voor bepaalde valenties kan een beschermingsduur van drie jaar worden aangenomen. Uit onderzoek naar de Duration of Immunity (DOI) blijkt echter dat een veel langere periode ook mogelijk is, zeker wanneer geënt wordt met levende vaccins. Daarbij moet tevens bedacht worden dat een afwezige of verlaagde antilichaamtiter niet altijd betekent dat er geen of onvoldoende immuniteit is; ook mogelijk aanwezige celgebonden (cytotoxische) afweer is van belang voor bescherming tegen virale infecties. Daarnaast worden na vaccinatie geheugencellen geactiveerd die weer snel antilichamen kunnen gaan produceren.

Men kan zich daarom afvragen of hervaccinatie na drie jaar wel voor alle honden en katten nodig is (met uitzondering van leptospirose en niesziekte). Eigenaren worden kritischer over de bereidheid tot vaccineren en maken zich zorgen over de kans op bijwerkingen, ook al is deze erg klein. Ook de dierenarts is bereid minder te vaccineren, mits dat verantwoord is en de bescherming van het individu en de populatie gewaarborgd blijft. Aangezien er individuele variatie bestaat in de mate van immuunrespons, wordt hervaccinatie om de drie jaar geadviseerd om de bescherming op populatieniveau optimaal te houden.

 

De waarde van titerbepalingen

Voor het individuele dier kan men eventueel nagaan of hervaccinatie nodig is door een serologisch bloedonderzoek uit te voeren. Er is voor de core vaccins (met uitzondering van leptospirose, FHV en FCV) namelijk een correlatie tussen de aanwezigheid van neutraliserende antilichamen en beschermende immuniteit. Ook kan een serologische test helpen de noodzaak tot vaccinatie in te schatten bij een dier met onbekende vaccinatiehistorie of dat snel bijwerkingen vertoont. Enkele fabrikanten bieden deze mogelijkheid, al of niet voor gebruik in de eigen kliniek. Het probleem daarbij is dat de hoogte van de titer (kwantitatief of semi-kwantitatief bepaald) slechts een momentopname is en geen maat is voor de beschermingsduur.

 

Wanneer hertesten?

Er kan dus geen harde garantie worden gegeven over de beschermingsduur na een positieve titer. Met de testen die in de kliniek worden gebruikt, kan worden vastgesteld of er nog voldoende immuniteit is op moment van hervaccinatie. De testen zijn niet bedoeld om een exact vaccinatie-interval te bepalen. De WSAVA-richtlijn geeft momenteel aan dat bij volwassen gevaccineerde dieren met een aangetoonde voldoende bescherming door serologisch onderzoek de test pas na drie jaar weer herhaald hoeft te worden.

Serologische testen bij jonge pups en kittens, om vast te stellen wanneer de maternale antilichamen zijn verdwenen met als doel een optimaal vaccinatietijdstip te bepalen, zijn mogelijk maar hebben nadelen. Door de sterke individuele variatie dienen alle dieren in een nest iedere twee tot drie weken getest te worden met de beschikbare sneltesten. Dit kan nadelig zijn voor het welzijn van de dieren door het vele bloedprikken. Bovendien kan het risico op infecties toenemen.

Er is nog onvoldoende informatie over de beschermingsduur van pups die alleen de pupentingen tot twaalf of zestien weken hebben gekregen en bij testen op eenjarige leeftijd (moment van hervaccinatie) nog voldoende hoge titers hebben. Daarom is het advies deze honden jaarlijks te hertesten. Indien er wel een boostervaccinatie tussen de zes en twaalf maanden is gegeven, is driejaarlijks hertesten mogelijk op het tijdstip van de hervaccinatie. De on-site test is bedoeld voor het vaststellen van een voldoende bescherming op het tijdstip van beoogde hervaccinatie en niet voor het bepalen van een vaccinatie-interval. Aangezien bij honden antilichamen langer persisteren dan drie jaar, kan een tweede termijn van drie jaar worden gehanteerd voor hertesten. Een derde periode van drie jaar is vooralsnog door het ontbreken van evidence-based gegevens uit veldstudies niet te verantwoorden en kan risico’s met zich meebrengen voor de groepsimmuniteit. Een jaarlijkse titerbepaling is dan het advies. Dit is ook te overwegen bij dieren ouder dan tien jaar in verband met mogelijke verminderde activiteit van het afweersysteem.

Tenslotte moet de eigenaar geïnformeerd worden dat de kans bestaat dat bij een lage titeruitslag alsnog gevaccineerd moet worden en deze kosten dan extra zullen zijn aangezien niet alle fracties los te verkrijgen zijn (naast die van de jaarlijkse vaccinatie).
De testen worden als voldoende betrouwbaar beschouwd mits zorgvuldig uitgevoerd, vooral de on-site testen in de praktijk.

Wettelijke eisen beroepsmatig gehouden dieren

Honden die in een pension, asiel of fokkerij verblijven, moeten volgens de wet gevaccineerd worden tegen parvo, distemper en HCC. Katten tegen kattenziekte en niesziekte (feline herpes- en calicivirus). Daarnaast kunnen pensions en asielen zelf aanvullende eisen stellen ten aanzien van extra vaccinaties en parasietenbestrijding. De benodigde (basis)vaccinaties voor bedrijfsmatig gehouden pups en kittens dienen conform de bijsluiter van het toegepaste vaccin plaats te vinden. Indien titerbepaling in plaats van een hervaccinatie geaccepteerd en betrouwbaar wordt geacht voor het bedrijfsmatig gehouden dier, moet óf de wet worden aangepast óf moet er duidelijkheid komen of er gehandhaafd kan worden op wetenschappelijke consensus. De overheid heeft zich bereid verklaard om in overleg met de KNMvD hier verder naar te kijken, zodat duidelijk wordt of titerbepalingen toegestaan zijn en zo ja, volgens welke voorwaarden.

 

Consensus titer-bepalingen binnen het vaccinatieschema

• De vaccinatierichtlijnen zijn gebaseerd op het bereiken en handhaven van populatie-immuniteit.
• Serologische testen worden bij correcte toepassing betrouwbaar geacht voor de praktijk.
• Bij pups en kittens verdient een goede basisvaccinatie de voorkeur boven titerbepalingen: minimaal twee (kitten) tot drievoudige vaccinatie (pup) plus een boostervaccinatie op zes tot twaalf maanden leeftijd.
• Voor de individuele volwassen hond en kat kan een titerbepaling voor CPV/FPV, CDV en CAV een alternatief voor vaccineren zijn.
• Bij een positieve titer dient dezelfde beschermingsduur aangehouden te worden als bij vaccineren, (mits een volledige basisvaccinatie werd gegeven). Voor de meeste virale vaccins bij hond en kat is dat een periode van drie jaar. Na twee termijnen van drie jaar is op dit moment jaarlijks hertesten het advies.
• Als de laatste vaccinatie plaatsvindt op zestien weken leeftijd, kan op een jaar leeftijd een titerbepaling worden uitgevoerd om te bepalen of een boostervaccinatie nodig is. Daarna is het advies jaarlijks te hertesten.

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.