Bij meerdere honden in de omgeving van Utrecht en Nijmegen is hondenziekte (canine distemper virus, CDV) vastgesteld. Hoewel de ziekte in Nederland dankzij vaccinatie zelden voorkomt, laten deze gevallen zien dat het virus nog altijd voorkomt. De KNMvD roept dierenartsen op alert te zijn op klinische verschijnselen die passen bij hondenziekte, met name bij onvoldoende gevaccineerde honden of honden uit het buitenland.
Hondenziekte komt vooral voor bij pups en andere onvoldoende gevaccineerde honden. De ziekte kan meerdere orgaansystemen aantasten.
Luchtweg- en maag-darmklachten staan meestal op de voorgrond. Veelvoorkomende symptomen zijn neus- en ooguitvloeiing, hoesten, benauwdheid of pneumonie, gecombineerd met anorexie, braken en diarree, soms met bloedbijmenging.
Een deel van de honden ontwikkelt daarnaast neurologische verschijnselen. Deze ontstaan vaak één tot drie weken na de eerste ziekteverschijnselen, maar kunnen ook gelijktijdig optreden of pas maanden later zichtbaar worden. In sommige gevallen zijn neurologische symptomen zelfs de eerste uiting van de infectie. Het klinisch beeld varieert van epilepsie tot spierzwakte, evenwichtsstoornissen verlammingen, verkrampingen en spierstijfheid.
Daarnaast kunnen huidafwijkingen optreden, variërend van pustels tot verdikking van de neusspiegel en voetzolen In zeldzame gevallen kunnen oogafwijkingen voordoen.
Op basis van het klinisch beeld alleen kan de diagnose niet worden gesteld. De klinische symptomen passen namelijk ook bij andere infectieuze aandoeningen, zoals kennelhoest. Hondenziekte wordt waarschijnlijker wanneer respiratoire en gastro-intestinale symptomen samengaan met of worden gevolgd door neurologische, huid- of oogafwijkingen.
De diagnose wordt gesteld met PCR of immunofluorescentie op oog- of neusuitvloeiing, eventueel aangevuld met serologisch onderzoek.
Canine distemper is zeer besmettelijk en wordt overgedragen via aerosolen, respiratoire secreties en direct of indirect contact. Het virus kan ook worden uitgescheiden via urine en feces. Geïnfecteerde honden kunnen het virus gedurende meerdere maanden uitscheiden, ook wanneer de klinische verschijnselen mild zijn of al zijn verdwenen.
Neem daarom bij een verdenking direct passende isolatiemaatregelen. Ook honden met milde symptomen kunnen een belangrijke bron van besmetting vormen, bijvoorbeeld in pensions, asielen of wachtkamers. Na klinisch herstel wordt geadviseerd honden nog minimaal vier weken gescheiden te houden van gevoelige dieren.
Het virus is buiten de gastheer relatief kwetsbaar en wordt door reguliere reiniging en desinfectie, uitdroging en verhitting snel geïnactiveerd.
Vaccinatie blijft de belangrijkste maatregel om hondenziekte te voorkomen. Controleer bij verdachte gevallen altijd de vaccinatiestatus. Pups zijn na het verdwijnen van maternale antistoffen tijdelijk extra vatbaar voor infectie, al kunnen deze antistoffen de vaccinatierespons ook verminderen.
In Nederland bestaat de puppyvaccinatie uit vaccinaties op 6, 9 en 12 weken, gevolgd door een vaccinatie op 6-12 maanden. Daarna wordt de CDV-vaccinatie in principe elke drie jaar herhaald of er wordt getiterd. Bij een uitbraak kan, afhankelijk van leeftijd en vaccinatiegeschiedenis, een vervroegde hervaccinatie worden overwogen.