TEKST JAÏRA WAISAPY, NVWA

Nederlandse expertise in de Brusselse besluitvorming

De Europese wetgeving vormt het fundament onder het toezicht op dierenwelzijn, voedselveiligheid en diergezondheid. Maar hoe ontstaat die wetgeving precies en welke rol kunnen Nederlandse experts daarin spelen? Om die vragen te beantwoorden gingen we in gesprek met Hilde Loonen, al meer dan twintig jaar werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA). Dankzij het NEPT-programma (National Expert in Professional Training) werkte zij vier maanden (van maart tot juli 2025) bij DG SANTE, het directoraat-generaal van de Europese Commissie voor Gezondheid en Voedselveiligheid. Haar ervaringen geven een helder beeld van de dynamiek achter Europese besluitvorming en de invloed van praktijkervaring op beleid.

Hilde Loonen
Toen Hilde werd geselecteerd voor het NEPT-programma, vond zij snel een plek bij Unit G5 Food Hygiene, Fraud and Feed van DG SANTE. “Vanaf dag één voelde ik me welkom in het team Voedselveiligheid waarin ik geplaatst werd,” vertelt ze. “Ik werd direct betrokken bij inhoudelijke dossiers en mijn praktijkkennis werd echt benut.” Als voormalig toezichthoudend dierenarts en Senior inspecteur kent zij de Europese regelgeving goed. “Het was bijzonder om van zo dichtbij te zien hoe die wetgeving tot stand komt.”.
PRAKTIJK ALS KATALYSATOR: AANPASSING VAN VERORDENING (EU) 2019/627
Eén dossier lag haar na aan het hart: de uitvoering van de post-mortem (PM) keuring zoals beschreven in Verordening (EU) 2019/627. “In Nederland schrijf ik werkvoorschriften voor Officiële Dierenartsen werkzaam in slachthuizen. In de Europese wetgeving over PM-keuring stonden voorschriften die in de dagelijkse praktijk lastig uitvoerbaar waren”, licht ze toe. “In Nederland was het mijn taak deze voorschriften bij de slachthuizen te implementeren. Bij een aantal wettelijke vereisten had ik moeite deze op te nemen in onze werkvoorschriften. Het gaat hier bijvoorbeeld om de verplichte palpatie van de darmlymfeknopen bij runderen. De darmen van runderen zijn zeer omvangrijk en daardoor moeilijk te hanteren, waardoor het lastig is voor de collega’s die de PM-keuring uitvoeren om deze te palperen. Daarnaast is het ook niet hygiënisch om darmen aan te raken tijdens de keuring.”
Bij schapen en geiten ouder dan een jaar stond het insnijden van de slokdarm omschreven als een aanvullende keuringshandeling. Dat betekent dat deze handeling niet bij alle schapen en geiten moet worden uitgevoerd, maar wel bij risicodieren (dit zijn bijvoorbeeld dieren waarbij tijdens de levende keuring iets is gezien). Niet alleen is dit praktisch gezien lastig uit te voeren in een slachthuis, het is ook niet hygiënisch omdat zo het karkas bezoedeld kan raken door voederresten. Verder was er een verschil in de leeftijdscategorieën voor de PM-keuring tussen schapen en geiten. Bij geiten lag de splitsing tussen oud en jong op zes maanden en voor schapen op twaalf maanden. Voor jonge dieren geldt een ander keurregime dan voor oude dieren. Verder moet bij schapen en geiten die ouder zijn dan twaalf maanden, specifiek risicomateriaal verwijderd worden tijdens het slachtproces, zoals hersenen en ruggenmerg (wettelijk verplicht vanwege risico op TSE). Al die verschillende leeftijdseisen waren complex voor de slachthuizen die kleine herkauwers slachten. Hilde besprak de praktische problemen met de Brusselse collega’s in haar team die deze wetgeving hadden gemaakt. Zij reageerden heel positief en ze mocht een voorstel schrijven voor aanpassing van deze wetgeving. In dit voorstel is de verplichte palpatie van de darmlymfeknopen vervallen en is de leeftijdsscheiding voor zowel schapen en geiten gelijkgezet op twaalf maanden. Daarnaast is bij de insnijding van de slokdarm de mogelijkheid in de wetgeving gekomen dat deze alleen nog hoeft te gebeuren op indicatie.
Dit voorstel voor aanpassing mocht ze presenteren tijdens de vergadering van het Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (PAFF). In dit comité komen afgevaardigden van alle lidstaten van de Europese Unie bij elkaar om te discussiëren over de wetgeving omtrent voedselveiligheid. De lidstaten reageerden positief en het formele wijzigingstraject startte direct. “Ik mocht vervolgens een wijzigingsvoorstel schrijven van de wettekst. Dat was echt monnikenwerk, over ieder woord en elke komma is nagedacht.” Dit wijzigingsvoorstel werd vervolgens voorgelegd aan de lidstaten.
In september 2025 werd de aangepaste verordening unaniem aangenomen en deze is sinds eind november 2025 in werking. “Een uitzonderlijk snel proces. En Nederland profiteert er meteen van, omdat de praktische uitvoering nu veel beter aansluit op de realiteit in het slachthuis.”
NOODSLACHTINGEN
Ook mocht zij meewerken aan het dossier noodslachtingen. De discussie ging erover dat niet het ongeval centraal zou moeten staan, maar de vraag of een dier slachtwaardig is en om welzijnsredenen niet kan worden vervoerd. Dit zou onnodige euthanasie van slachtwaardige dieren kunnen voorkomen. Op basis van haar analyse werd een ontwerptekst opgesteld. Naar verwachting volgt medio 2026 een aanpassing van de noodslachtwetgeving waardoor de vereiste dat een dier een ongeval gehad moet hebben, zal komen te vervallen. “Het voelde waardevol om hieraan te mogen bijdragen. Terug in Nederland bij de NVWA komt mijn ervaring goed van pas en kan ik meewerken met de implementatie hiervan in Nederland. Wat deze precies gaat inhouden en vanaf wanneer de nieuwe werkwijze in Nederland zal gelden, wordt te zijner tijd nog door de NVWA gecommuniceerd.”
WATERGEBRUIK, INSECTEN, SEPARATORVLEES EN MEER
Hilde werkte ook aan het Codex-document over veilig gebruik en hergebruik van water in de levensmiddelenindustrie. De consultatie omvatte reacties uit de hele wereld. ‘Het was indrukwekkend te zien hoe zo’n internationale tekst tot stand komt en hoeveel belangen er samen moeten komen.’ Daarnaast schoof zij aan bij besprekingen over uiteenlopende onderwerpen, van insecteneiwitten tot exporteisen voor Canadees varkensvlees, detailhandelsdefinities en vragen over voedingsadditieven. ‘De diversiteit aan dossiers maakte duidelijk hoeveel expertise in Brussel samenkomt.’
LEVEN EN WERKEN IN BRUSSEL
Naast de inhoudelijke verdieping betekende wonen in Brussel een nieuwe routine. Hilde woonde in een internationaal huis en werkte dagelijks op kantoor. “Het was wennen, maar ook inspirerend. Fysiek samenwerken met collega’s, gezamenlijke koffiemomenten en lunches in de restaurants van de Europese Commissie gaven energie en verbondenheid. Een hoogtepunt was het bezoek van NVWA-collega’s: een dag met presentaties, een rondleiding in het Europees Parlement en uiteraard een Brusselse friet.”
EEN BREDERE BLIK OP WETGEVING
De maanden bij DG SANTE hebben Hildes kijk op regelgeving blijvend beïnvloed. “In Nederland beoordelen we Europese wetgeving vaak vanuit onze eigen context. In Brussel leer je dat de situatie in andere lidstaten soms echt anders is en dat je met iedereen rekening moet houden. Wetgeving is daarom soms bewust wat abstracter.”
Na haar terugkeer merkte ze dat haar oude functie als senior inspecteur minder goed aansloot bij haar nieuwe perspectief. Per 1 januari 2026 is Hilde gestart als coördinerend specialistisch inspecteur Dierenwelzijn. “De ervaring in Brussel neem ik zeker mee in deze nieuwe rol.”
Hilde kijkt met veel waardering terug op haar tijd bij DG SANTE. “Ik heb geleerd hoe complex, maar ook hoe belangrijk Europese wetgeving is. En hoe waardevol het is dat Nederlandse experts in Brussel meedenken.”

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen