Salmonella-infectie bij het volwassen paard

Salmonellose behoort tot de meest voorkomende oorzaken van infectieuze diarree bij het volwassen paard. Volwassen paarden met salmonella kunnen latente drager van de bacterie zijn, maar natuurlijk ook klinische symptomen vertonen. In dit artikel leest u hoe u een paard met een Salmonella-infectie kunt herkennen en eventueel kunt behandelen.

 

Er zijn weinig infectieuze oorzaken voor diarree bij het volwassen paard. Met Salmonella, cyathomstominea en Clostridium is het overgrote deel van de pathogenen benoemd. Salmonella is de meest voorkomende infectieuze oorzaak. Salmonella
is een facultatief anaerobe Gram-negatieve bacterie. De meest voorkomende Salmonellastam bij het paard in Nederland is Salmonella enterica serovar Typhimurium. Alle Salmonella enterica-stammen zijn potentieel zoönotisch.
Paarden die behandeld worden met antibiotica, hebben een groter risico op het verkrijgen van salmonellose. Daarnaast zijn buikchirurgie, stress en voerveranderingen en risicofactoren. Infectie met Salmonella kan ontstaan door direct contact met een infectieus dier of indirect via besmet voer, water of verzorger. Ook via andere diersoorten kan een paard Salmonella verkrijgen.

Klinisch beeld

Bij volwassen paarden onderscheiden we drie vormen van salmonellose:

• Subklinische drager. Deze paarden scheiden intermitterend Salmonella uit en kunnen hierdoor andere besmetten. In onderzoeken naar de prevalentie van latente dragers lopen de percentages uiteen van 6 tot 13 procent.

• Milde klinische verschijnselen. Paarden vertonen depressie, koorts en slechte eetlust. De mest is te zacht, maar is geen diarree. De klinische symptomen verdwijnen zonder behandeling na vier of vijf dagen. De uitscheiding van Salmonella kan echter maanden aanhouden.

• Acute ernstige salmonellose. Deze paarden hebben acuut last van depressie, anorexie, koorts en koliek. Diarree ontstaat binnen 24 uur na de eerste klinische verschijnselen. Mest is vloeibaar en heeft een sterke afwijkende geur. Door de ernstige diarree kan dehydratie optreden, met daarnaast een metabole acidose. Deze paarden kunnen een septisch en shock-achtig beeld geven. De koliek kan mild zijn tot ernstig door ileus, tympanie of colitis. Het witte bloedcelbeeld toont een ernstige neutropenie. Daarnaast kan het albumine heftig dalen door ‘protein-losing entropathy’. Bacteriemie kan ontstaan met laminitis en stollingsproblemen als gevolg.

Diagnose

Op basis van het klinisch beeld kan de verdenking op salmonellose worden gesteld. Kweek van salmonella kan vanuit feces. Zelfs paarden met klinische klachten kunnen Salmonella intermitterend uitscheiden. Het advies is minimaal drie opeenvolgende dagen mest te verzamelen voor bacteriekweek. Bij een bacteriemie is het natuurlijk ook mogelijk Salmonella uit het bloed te kweken. PCR van Salmonella vanuit mest of bloed is een snel alternatief. Vooral bij de PCR vanuit de mest is er echter kans op een vals positief resultaat door DNA-fragmenten van dode bacteriën. Daarnaast geeft de PCR geen antibiogram.

Behandeling

Primaire behandeling van een volwassen paard bestaat uit het stabiliseren en opheffen van de dehydratie via infusen. Vanwege het verlies van elektrolyten heeft een polyionisch isotonisch infuus de voorkeur. Tot tachtig liter infuus per dag kan nodig zijn. Daarnaast kan men via orale vloeistoffen extra elektrolyten en bicarbonaat (tegen de acidose) geven.

Bloedplasma kan worden gegeven tegen de hypoproteinemie en verminderde stolling. Daarnaast kan het plasma immunoglobulines tegen Salmonella bevatten. Colloidale vloeistof is een goedkoper alternatief voor bloedplasma. Het geven van antibiotica is alleen nodig voor het bestrijden van bacteriemie. Antibiotica hebben geen effect op het herstel van de colitis en het uitscheiden van Salmonella. Vanwege de resistentiepatronen is de selectie van antibiotica lastig en zelfs tijdens de klinische manifestatie kan het resistentiepatroon veranderen. Bij de keuze voor antibiotica moet de behandelaar daarnaast rekening houden met de hydratatiestatus van het paard: aminoglycosides zijn potentieel  nefrotoxisch in gedehydreerde paarden. Multiresistentie van Salmonella bij het paard is eerder regel dan uitzondering.
Een deel van de therapie moet gericht zijn op het bestrijden van toxines. Verschillende orale preperaten zoals biosponge, bismuth salicylaat en actieve kool kunnen toxines binden. Daarnaast kunnen NSAID’s, met als belangrijkste
flunixine meglumine, de toxinemie tegenwerken, koorts en pijn remmen en laminitis voorkomen. Bij het gebruik van NSAIDs kunnen bijwerkingen optreden in de vorm van maag- en darmulcers en nefrotoxiniteit. Meerdere therapiën zijn bedacht om de normale darmflora van een paard te herstellen: pre- en probiotica en Fecale Microbiële Transplantatie
(FMT). Naar het effect van pre- en probiotica en FMT bij volwassen paarden is weinig onderzoek gedaan en de werkzaamheid is twijfelachtig. Bij het gebruik van pre- of probiotica voor ondersteuning van het paard zijn geen negatieve bijwerkingen bekend. Bij FMT wordt mest van een gezonde donor als suspensie overgebracht in de patiënt. Hierbij bestaat de kans op overdracht van pathogenen, zoals Salmonella, Clostridium difficile en Equine Infectieuze Anemie Virus. Screening van de donor is dan ook aan te raden.

Preventie

Preventie van salmonellose is lastig, omdat gezonde dieren de bacterie kunnen uitscheiden en deze langere tijd in het milieu kan overleven. Het is wijs zowel werknemers als eigenaren te wijzen op de zoönotische gevaren van Salmonella.

Bronnen
 Van Duijkeren, E., et al. “Sero types, phage types and
 antibiotic susceptibilities of Salmonella strains isolated
 from horses in The Netherlands from 1993 to 2000.”
 Veterinary microbiology 86.3 (2002): 203-212.
 Van der Kolk, J.H., Veldhuis Kroeze, E.J.B. Infectious
 Diseases of the Horse: Diagnosis, pathology, management,
 and public health. CRC Press, 2013.
 McKenzie III, H.C., Mair, T.S. “Equine Salmonellosis.”
 Infectious diseases of the horse (2009): 172-185.
 Schoster, A., Weese, J.S., Guardabassi, L. (2014), Probiotic
 Use in Horses – What is the Evidence for Their Clinical
 Efficacy?. J Vet Intern Med, 28: 1640–1652.
Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.