Update COVID-19/SARS-CoV-2 in dieren

In Vetinf@ct-Editie 35 en 36 is melding gemaakt van een aantal incidentele gevallen van honden en katten uit Hong Kong en België die met PCR positief testten op SARS-CoV-2.
Bij al deze gevallen was de eigenaar van het dier COVID-19 positief en is mens-dier transmissie aannemelijk. Daarnaast bleken in kleinschalige experimenten katten en fretten gevoelig voor het virus en bleek verspreiding van virus tussen katten mogelijk. Varkens, kippen en eenden waren in een experimentele setting niet gevoelig voor een infectie met SARS-CoV-2. Honden konden wel geïnfecteerd worden, maar werden niet ziek. Uit een recente serologische studie onder katten in China bleek 15% (15/102) serologisch positief (ELISA), waarvan er elf katten ook positief waren in de virusneutralisatietest. Drie van deze serologisch positieve dieren waren afkomstig van COVID-19-patiënten. Deze serologische studie toont aan dat katten ook in een natuurlijke situatie geïnfecteerd kunnen worden met het virus, waarbij mogelijk subklinische infecties hebben plaatsgevonden. Op een veterinaire campus in Frankrijk met twee COVID-19-positieve studenten en elf van de achttien andere studenten met COVID-19-gerelateerde klachten werd geen virus noch antistoffen aangetoond bij de huisdieren (negen katten en twaalf honden) van deze studenten. In een dierentuin in New York testten vier tijgers en drie leeuwen met milde luchtwegklachten positief voor SARS-CoV-2. Recent zijn ook twee katten in New York en een hond in North Carolina positief bevonden, ook zij hadden milde respiratoire verschijnselen.

Op 26 april jl. maakte het ministerie van LNV bekend dat op twee nertsenbedrijven in Noord-Brabant SARS-CoV-2 was aangetoond. De nertsen vertoonden diverse ziekteverschijnselen waaronder ademhalingsproblemen. Op beide bedrijven hadden verzorgers klachten gehad passend bij COVID-19 en is mens-dier transmissie aannemelijk. Verder zijn er wereldwijd geen aanwijzingen dat landbouwhuisdieren geïnfecteerd kunnen worden met SARS-CoV-2.

SARS-CoV-2 in gezelschapsdieren
Naar aanleiding van de eerste gevallen in dieren is er 7 april een Deskundigengroep Dierziekten en 9 april een Deskundigenberaad zoönosen georganiseerd om een inschatting te maken van de rol van huisdieren in de corona-pandemie. Gezien de mondiaal zeer lage incidentie van gemelde, zieke, SARS-CoV-2-positieve huisdieren lijkt de kans op transmissie van mens op zijn huisdier heel klein, maar incidenteel wel mogelijk. Transmissie tussen dieren binnen een huishouden is niet uit te sluiten, maar transmissie tussen dieren van verschillende huishoudens lijkt niet aannemelijk. Hoewel transmissie van dier naar mens niet uitgesloten kan worden, wordt de impact op de humane gezondheid als verwaarloosbaar ingeschat in deze fase van de epidemie waarbij effectieve mens-mens-transmissie de stuwende kracht is.

Bij het landelijk meldpunt dierziekten van de NVWA zijn enkele meldingen binnengekomen van zieke huisdieren (katten en een hond) uit gezinnen waar vermoedelijk SARS-CoV-2 circuleert, maar tot nu toe is er in Nederland geen SARS-CoV-2 bij gezelschapsdieren vastgesteld.

Als gezelschapsdieren klachten ontwikkelen die suggestief zijn voor een SARS-CoV-2-infectie, zoals onverklaarbare respiratoire en/of gastro-intestinale klachten, en er is intensief contact geweest met een COVID-19 (verdachte)-patiënt, is het verzoek aan de dierenarts contact op te nemen met de NVWA via het Landelijk meldpunt dierziekten (045- 546 31 88). Tevens adviseert de dierenarts tegelijkertijd om het dier in thuisquarantaine te plaatsen. De NVWA besluit per geval of er diagnostisch onderzoek of andere vervolgacties moeten worden verricht. De Nederlandse overheid heeft als lid van de OIE de plicht om relevante ontwikkelingen ten aanzien van (mogelijk) opkomende dierziekten, waartoe COVID-19 behoort, te melden.

Gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) in de dierenartsenpraktijk
COVID-19 is een druppelinfectie, wat betekent dat het virus vooral wordt overgedragen via grote druppels die vrijkomen bij hoesten of niezen door positieve patiënten. Deze druppels komen via de lucht doorgaans niet verder dan anderhalve meter.

Bij de behandeling of lichamelijk onderzoek van een COVID-19- verdacht huisdier (= huisdier met onverklaarbare respiratoire en/of gastro-intestinale klachten waarbij in het huishouden ook mensen klachten hebben die passen bij een SARS-CoV-2-infectie) zijn aanvullende maatregelen bestaande uit het dragen van handschoenen, een schort, een chirurgisch mondneusmasker (minimaal type IIR) en een spatbril nodig.

Bij huisdieren met klachten, maar afkomstig van een huishouden waar geen mensen zijn met klachten passend bij COVID-19, en voor gezonde dieren zijn geen aanvullende maatregelen nodig.

Daarnaast blijft het belangrijk om de richtlijnen van het RIVM in acht te houden:

  • 1,5 meter afstand houden;
  • toepassen handhygiëne;
  • geen handen geven;
  • hoesten en niezen in de elleboog;
  • papieren zakdoekjes gebruiken;
  • juist gebruik van PBM;
  • gebruik patiëntgebonden of disposable hulpmiddelen.

In de meeste praktijksituaties is het mogelijk om 1,5 meter afstand te houden tussen collega’s en/of diereigenaren, maar er zijn een aantal gevallen (bv. vasthouden dier voor monstername of lichamelijk onderzoek) waarbij de afstand kleiner is. Het uitgangspunt moet zijn dat er alleen gezonde mensen in de praktijk aanwezig zijn, en inzet van PBM is dan niet nodig. Het is daarom belangrijk dit (liefst telefonisch) voorafgaand aan elk consult bij de eigenaar of begeleider te verifiëren.

SARS-CoV-2 in nertsen
Bij nertsen is recent op twee bedrijven in Nederland een infectie met SARS-CoV-2 vastgesteld. Het ministerie van LNV heeft per direct een meldingsplicht bij nertsen ingesteld, wat inhoudt dat nertsenhouders, dierenartsen en veterinaire laboratoria verplicht zijn om verschijnselen van COVID-19 (ademhalingsproblemen en verhoogde mortaliteit) bij nertsen te melden. Er is onderzoek ingesteld om de ontwikkeling van de ziekte op de besmette bedrijven te volgen. Uit voorzorg worden ook lucht- en stofmonsters genomen in de omgeving van het bedrijf.

Gebruik van PBM op nertsenbedrijven
Mensen met klachten, die kunnen passen bij COVID-19 (keelpijn, neusverkouden, hoesten, koorts) moeten niet voor de dieren zorgen. Op bedrijven waar COVID-19 officieel is vastgesteld bij nertsen, worden extra maatregelen geadviseerd. Deze maatregelen gelden tot 24 uur na het moment dat de nertsen op het bedrijf geen verschijnselen van COVID-19 meer laten zien. Dit laatste kan in overleg met de dierenarts worden bepaald.

De volgende extra adviezen gelden voor deze bedrijven:

  • Gebruik bij het werken in de stal een chirurgische mondneusmasker (minimaal type IIR), een spatbril en handschoenen.
  • Gebruik deze PBM ook bij werkzaamheden waarbij veel stof vrijkomt en bij het opruimen van mest en gebruik geen hogedrukspuit.
  • Daarnaast moet de reguliere bedrijfshygiëne goed in acht worden genomen.

Bij schaarste is het belangrijk om het gebruik van PBM, en met name mondneusmaskers, aan de feitelijke risico’s aan te passen en de beschikbare middelen zo optimaal mogelijk in te zetten. Voor de behoefte aan PBM in sectoren buiten de humane zorg, zoals de veterinaire sector, is een landelijk coördinatiepunt opgericht. Vragen en knelpunten met betrekking tot PBM kunnen via de KNMvD bij dit coördinatiepunt worden ingediend.

Bron: Vetinf@ct editie 37

Meer informatie is te vinden op de websites van:

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen