Verboden dier in de praktijk: wat betekent dit voor jou als dierenarts?

Met de inwerkingtreding van de positieflijst en het houdverbod op onder meer naakt- en vouwoorkatten ontvangt de KNMvD vragen van dierenartsen over hun handelwijze wanneer een eigenaar zich met een zogenoemd ‘verboden’ dier in de praktijk meldt. Hieronder zetten wij de belangrijkste uitgangspunten op een rij.

  • Voor bestaande dieren geldt een overgangsrecht
    Dieren die vóór de ingangsdatum van het verbod al in het bezit waren van de eigenaar, mogen bij de eigenaar blijven tot het overlijden van het dier. Voorwaarde is dat de eigenaar aannemelijk kan maken dat de dieren gehouden werden voordat de lijst van kracht werd. Dit kan bijvoorbeeld met een chip, aankoopbewijs, oude rekening e.d. Bij naaktkatten en vouwoorkatten is een chip van voor 1 januari 2026 verplicht.
  • Behandeling blijft toegestaan
    Als dierenarts mag u dieren die niet op de positieflijst staan of waarvoor een houdverbod geldt, gewoon behandelen als ze worden aangeboden. Dit geldt dus ook niet-acute zorg zoals sterilisaties en chippen etc. Het welzijn van het dier staat altijd voorop.
  • Geen actieve fokbegeleiding
    Actieve fokbegeleiding bij dieren die niet op de positieflijst staan of waarvoor een houdverbod geldt, is niet toegestaan. In geval van baringsnood blijft het uiteraard wél toegestaan en verplicht om het dier te helpen.

Geen algemene meldplicht
Er geldt geen algemene meldplicht voor dierenartsen wanneer zij in de praktijk dieren tegenkomen die niet (meer) toegestaan zijn. Dierenartsen kunnen er wel voor kiezen om hiervan melding te maken bij de NVWA.

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen