Westnijlvirus in Nederland gearriveerd

Op 16 september 2020 heeft het RIVM bekend gemaakt dat er in Nederland een vogel, een grasmus, positief is getest op het westnijlvirus. In het onderzoek naar exotische virussen is dezelfde vogel toevallig ook in het voorjaar  gevangen en negatief getest op het westnijlvirus. Dit maakt het aannemelijk dat de vogel hier in Nederland is besmet door een geïnfecteerde mug en dát betekent dat er in Nederland geïnfecteerde muggen rondvliegen.

Te verwachten

De komst van het westnijlvirus was te verwachten gezien het feit dat in 2018 en 2019 ook al westnijlvirus is aangetroffen bij vogels en paarden in Duitsland. Ook dit jaar zijn er in Duitsland vogels en paarden positief getest op westnijlvirus. Ook in Spanje en Frankrijk is het virus in vogels en paarden aangetoond.

Geschiedenis

Het westnijlvirus is voor het eerst in 1937 in het West Nijl district in Oeganda vastgesteld. In de zestiger jaren werd het in Frankrijk gevonden. Daarna werd westnijlvirus vooral in Zuid en Oost Europa aangetoond bij vogels, paarden en mensen. In de Verenigde Staten werd het virus voor het eerst in 1999 aan de Oostkust gevonden bij vogels en mensen en verspreidde zich binnen enkele jaren over het hele continent inclusief Canada. In Noord Europa werd het in 1998 voor het eerst in Duitsland bij vogels en paarden gevonden en in 2019 ook bij muggen uit de Culex pipiens groep. Infecties bij mensen worden tot nu toe alleen in Zuid en Oost Europa gezien.

Verspreiding door muggen

Het westnijlvirus wordt door muggen wordt overgebracht, een zogenaamde vector-gebonden ziekte. Vogels zijn de gebruikelijke gastheren waarbij de ene soort veel meer ziekteverschijnselen vertoont dan de andere soort. Diverse soorten kraaien zijn erg gevoelig voor westnijlvirus en als groepen kraaien dood worden gevonden, moet er zeker aan westnijlvirus worden gedacht en moet de NVWA worden gewaarschuwd. Het westnijlvirus wordt niet direct van paard naar paard, van vogel naar paard, of van paard naar mens overgedragen. De aandoening kan alleen door muggen worden overgedragen of door direct bloed-bloedcontact zoals bij een bloedtransfusie, een orgaantransplantatie of het uitvoeren van een sectie van een besmet dier zonder voldoende beschermingsmiddelen. Er zijn meerdere muggensoorten in Nederland die het virus zouden kunnen overbrengen (Aedus albopictus, Aedex vexans, Culex pipiens, Ochlerotatus dorsalis).

Symptomen bij paarden

Bij de meeste paarden verloopt een westnijlvirus infectie (vrijwel) symptoomloos of met milde klachten. Rond de 10% van de geïnfecteerde paarden kan echter neurologische symptomen krijgen, die kunnen variëren van milde klachten tot volledige verlamming. De virulentie van het virus en de afweer van de patiënt spelen hierbij een rol.
De incubatietijd (tijd tussen besmetting en  de eerste symptomen) varieert van 3 tot 15 dagen (meestal 2-6 dagen). Als eerste symptoom wordt vaak een matige koorts gezien met sloomheid en niet willen eten. Dan treden de neurologische symptomen op zoals spierfasciculaties (trillingen van de spieren) vooral rond de snoet en de ogen, atactisch lopen (lopen als een dronkenman), abnormaal gedragen (rustige paarden worden soms heel lastig en lastige paarden heel rustig). Ook worden dringen, doelloos rondlopen en vage kolieksymptomen gezien. Soms verergert de ataxie en wordt het paard volledig paralytisch (verlamd). Over het algemeen verergeren de neurologische symptomen snel, terwijl verbetering vaak lange tijd in beslag neemt.

Bevestigen van de diagnose

Bij verdenking op westnijlvirus is de dierenarts verplicht dit te melden bij de NVWA. Het is van belang om daarbij de vaccinatiestatus van het betreffende paard te weten, omdat dit in de test tot een fout-positief resultaat kan leiden, zeker als de vaccinatie kort geleden heeft plaatsgevonden. De meest gebruikte test kijkt naar de antistoffen die het paard produceert als reactie op de infectie (IgM Elisa).
Ook kan een PCR op virus worden uitgevoerd in het bloed, maar omdat de viraemie heel laag is kan dat vaak het beste in liquor (hersenvocht) bij paarden met neurologische klachten (eventueel na de dood).

Behandeling en prognose

Er is geen gerichte behandeling mogelijk. Wel kan een ziek paard zo goed mogelijk worden verzorgd op een plek waar het dier zich niet kan beschadigen. De dierenarts kan zo nodig ontstekingsremmers en eventueel infusen geven. Er is geen bewezen effect van virusremmers beschreven.
Voor paarden met neurologische verschijnselen is de prognose slecht, 35-40% moet worden geëuthanaseerd of sterft spontaan. Bij ongeveer 40% van de paarden die de acute ernstige symptomen overleven is er 6 maanden later nog sprake van iets wijkend lopen en/of iets afwijkend gedrag.

Differentiële diagnose

In Nederland komt, wanneer meerdere paarden op een bedrijf ziek zijn, als eerste de neurologische vorm van EHV1 in aanmerking als differentiële diagnose. Verder kunnen botulisme en lolitrem-intoxicatie lijken op westnijlvirus. Als er maar één paard is aangetast moet men differentieel diagnostisch ook aan allerlei vormen van trauma of een bacteriële meningoencephalitis denken.

Preventie

Er zijn een aantal goede vaccins op de markt ter preventie van westnijlvirus. Hiervan zijn er op dit moment ook enkele in Nederland geregistreerd. Het beste kan in maart-april begonnen worden met twee basisvaccinaties met drie tot vijf weken er tussen. Twee tot drie weken na de tweede vaccinatie is er een goede bescherming. In de volgende jaren moet de vaccinatie ieder voorjaar in april/mei worden herhaald om zo in de zomer en nazomer goede bescherming te bieden.
Verder kunnen de paarden beschermd worden tegen muggenbeten. Dit kan enerzijds door het gebruik van repellents, insectendekens of opstallen en anderzijds door de broedplaatsen van muggen (stilstaand water in emmers, in oude autobanden, in vervuilde dakgoten etc.) zoveel mogelijk op te ruimen. In de stal kan een ventilator voor of boven de box goede diensten bewijzen, want muggen zijn ‘slechte vliegers’.

Contactpersoon:

Prof. Dr. Marianne Sloet
Hoogleraar Inwendige Ziekten van het Paard
m.sloet@uu.nl+ 31 30 2531350

Bron: Universiteit Utrecht

 

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen