Anaplasma-infecties als veroorzaker van uiteenlopende ziektebeelden bij schapen

Tick borne fever, ‘weidekoorts’ in het Nederlands, wordt veroorzaakt door de intracellulair levende bacterie Anaplasma phagocytophilum (anaplasma). Deze bacterie wordt door teken overgedragen en veroorzaakt infectie en soms ook ziekte bij zowel mensen als dieren (1-5). Als gevolg van een anaplasma-infectie onstaat immuunsuppressie waardoor secundaire infecties, zoals tekenpyemie, kunnen optreden. Met name deze secundaire infecties kunnen zeer ernstige klinische verschijnselen geven (6).

Afbeelding 1
Apathische en anorectische ooi als gevolg van primaire infectie met anaplasma (T41,5˚C). De ooi was aangekocht en zeven dagen hiervoor voor het eerst op dit perceel geïntroduceerd.

Zowel weidekoorts als tekenpyemie lijken weinig te worden gediagnosticeerd bij schapen in Nederland. In 2013 werden beide aandoeningen vastgesteld bij een in een Drents natuurgebied grazend koppel schapen dat jaarlijks met ernstige gezondheidsproblemen kampte bij lammeren en nieuw geïntroduceerde schapen. Pas na gericht diagnostisch onderzoek op anaplasma werd de diagnose gesteld. Sindsdien zijn er verspreid door Nederland meerdere koppels gevonden waar jaarlijks terugkerende klinische problemen het gevolg lijken te zijn van anaplasma-infecties.

Weidekoorts

Infectie met anaplasma wordt overgebracht via een tekenbeet. In Nederland speelt hierbij voornamelijk de ‘schapenteek’, Ixodes ricinus, een rol. Nadat anaplasma het bloed heeft bereikt, nestelt hij zich in neutrofielen waar hij zich gaat vermenigvuldigen. Het klinisch beeld bestaat uit hoge koorts (> 42˚C is geen uitzondering), verminderde eetlust, verminderde melkproductie en sloomheid (6). Deze klinische verschijnselen worden alleen gezien bij schapen die voor het eerst in aanraking komen met anaplasma, zoals lammeren of aangekochte dieren (afbeelding 1). De morbiditeit kan hoog zijn (20-100%). Bij alle getroffen dieren ontwikkelen de verschijnselen zich op nagenoeg hetzelfde tijdstip, namelijk binnen veertien dagen na introductie op een weide waar met anaplasma besmette teken actief zijn, en vervolgens binnen een tijdsperiode van 24 tot 48 uur na het eerste ziektegeval (7, 8). Na de acute fase ontwikkelen de dieren vaak groeiachterstand of krijgen secundaire infecties, zoals tekenpyemie (9, 10). Vanwege de rol van de teek wordt weidekoorts in Nederland meestal waargenomen in koppels die grazen in of aangrenzend aan een natuurgebied. Zonder secundaire infecties geneest weidekoorts in veel gevallen spontaan. Na primaire infectie lijkt immuniteit te worden opgebouwd. Toch rapporteren veehouders vaak langdurige problemen zoals slecht groeiende lammeren en hogere uitval (9, 12). Mogelijk komt dit door het optreden van secundaire infecties of het vermogen van anaplasma persisterende infecties te veroorzaken (11).

Secundaire infecties

De immunosuppressie door onder andere de aanwezigheid van anaplasma in neutrofiele granulocyten en de daarna optredende leukopenie bevordert het optreden en de ernst van secundaire infecties. De secundaire infecties geven vaak meer problemen dan de weidekoorts zelf (6). Tekenpyemie, meestal veroorzaakt door Staphylococcus aureus, kan tot een dermatitis leiden op de bijtplek van de teek die vaak resulteert in een abces. Deze (micro-)abcessen kunnen zich verspreiden door het lichaam en vervolgens een (peri-)artritis in de poten (afbeelding 2) of de wervelkolom veroorzaken (10). Tekenpyemie is vaak zeer slecht te behandelen vanwege de purulente haarden die slecht doordringbaar zijn voor antibiotica. Secundaire infecties met Bibersteinia trehalosi (voorheen: Pasteurella trehalosi) of Mannheimia haemloytica worden ook regelmatig gediagnosticeerd. Deze veroorzaken een sepsis die kan leiden tot acute paralyse of plotselinge sterfte (13). Behalve bij schapen is anaplasmose in Nederland vastgesteld bij melkvee. Bij melkkoeien worden met name hoge koorts en melkproductiedaling waargenomen. De verschijnselen die bij schapen worden waargenomen verschillen enorm per koppel. Bij sommige koppels wordt alleen weidekoorts waargenomen, bij andere koppels alleen tekenpyemie en andere koppels ondervinden alle verschijnselen. Hoewel voor deze variatie nog geen duidelijke verklaring is, opperen onderzoekers dat rasgevoeligheid, voeding- en mineralenstatus, tekenaantal en anaplasma-besmettingsgraad van de tekenpopulatie, en/of het specifieke anaplasmatype van invloed kunnen zijn (14-16).

Diagnose

Een acute infectie met anaplasma is vast te stellen in bloed door microscopisch onderzoek van een bloeduitstrijkje (met May-Grunwald-Giemsa kleuring) of door PCR. Bij een bloeduitstrijkje is de kans om anaplasma te detecteren het hoogst bij bloedmonsters afgenomen tijdens de koortspiek; daarna neemt de kans op detectie snel af. Met PCR-onderzoek kan de bacterie ook na de koortspiek vaak nog gevonden worden. De diagnose van een secundaire infectie, zoals tekenpyemie, is een stuk lastiger en bestaat uit een combinatie van diagnostische bevindingen. De ziekteverschijnselen leiden in eerste instantie vaak niet tot de verdenking ‘anaplasma-infectie’ omdat tekenbeten en (milde) koorts niet worden waargenomen of gemeld. In de ons bekende anaplasmosegevallen bij schapen ging het om ernstige gewrichtsontstekingen, neurologische verschijnselen en plotselinge sterfte. Om de diagnose te stellen, moet in eerste instantie de infectie met anaplasma worden vastgesteld.
In tweede instantie wordt onderzoek gedaan naar de secundaire bacterie die de specifieke verschijnselen veroorzaakt. Hiervoor is zorgvuldig pathologisch onderzoek nodig. In geval van artritis kan geprobeerd worden de bacterie uit synovia te kweken, maar vaak bevatten de aangetaste gewrichten zo weinig synovia dat deze bij het levende dier niet of nauwelijks kunnen worden aangeprikt. In geval van neurologische verschijnselen en plotselinge sterfte, die beiden vanuit een sepsis kunnen ontstaan, kan de diagnose gesteld worden door de bacterie te kweken
uit lever- of miltmonsters (7).

Afbeelding 2
Lam met artritis van het linker carpaal gewricht. Hoewel de zwelling duidelijk zichtbaar is, blijkt het aanprikken van de synovia zeer moeilijk bij het levende dier.

Behandeling

De behandeling van weidekoorts bestaat in de praktijk uit een injectie met een langwerkend oxytetracycline (200 mg/ml; 1 ml per 10 kg lichaamsgewicht) waar anaplasma zeer gevoelig voor is. In veel gevallen treedt binnen 24 uur duidelijk klinisch herstel op. Bij een secundaire infectie hangt de therapie af van de betrokken bacterie en de locatie en de ernst van de infectie. In geval van artritis worden in de praktijk de beste resultaten behaald met langwerkende macro-liden. Vaak is de weefselschade in de gewrichten dusdanig dat de prognose tot volledig herstel zeer matig is. Uit de praktijk blijkt bij paralyse en andere neurologische verschijnselen oxytetracycline meestal wel afdoende te zijn en kunnen zelfs tetraplegische dieren binnen enkele dagen herstellen. Omdat de morbiditeit van weidekoorts vaak snel oploopt, kan een groepsbehandeling worden ingezet. Een jaarlijkse terugkerende koppelbehandeling met antibiotica is in het kader van terughoudend antibioticagebruik echter onwenselijk, waardoor de nadruk in wetenschappelijk onderzoek gelegd moet worden op preventie.

Preventie

Op dit moment zijn er helaas nog geen effectieve preventieve maatregelen. Tekenwerende middelen bieden onvoldoende bescherming tegen een infectie met anaplasma. Onderzoek uitgevoerd in Drenthe in 2015 wees uit dat er geen verschil in anaplasmaprevalentie was tussen diergroepen die wel of niet met deltamethrin behandeld waren (17). De enige preventieve maatregel voor nu is het vermijden van percelen waarvan bekend is dat daar infectie optreedt. Helaas speelt de klinische problematiek vaak bij begrazingskoppels die ingezet worden om specifieke percelen te begrazen voor beheer en strookt het mijden van die percelen niet met het doel van de kudde. Onderzoek naar bijvoorbeeld het voorkómen van secundaire infecties, de invloed van persisterende infecties bij ooien op hun lammeren, en het fokken op weerbaarheid tegen anaplasma zal de komende jaren hopelijk handvatten opleveren voor andere preventieve maatregelen.

Situatie in de rest van Nederland

Zoekt en gij zult vinden’ blijkt ook in het geval van anaplasmose te kloppen. Naar aanleiding van de ervaringen met het koppel schapen in het praktijkgebied in Zuid-Oost Drenthe werd contact gelegd met houders en dierenartsen van andere begrazingskoppels in Drenthe met soortgelijke problemen. Met hulp van diergeneeskundestudenten werd bevestigd dat ook bij deze koppels sprake was van anaplasma-infecties. Verder bleken uit een steekproef onder schapen uitgevoerd op twaalf begrazingskoppels verspreid door Nederland, tien bedrijven positief te testen. Interessant is dat niet op elk positief geteste bedrijf ook klinische verschijnselen worden waargenomen. Een verklaring voor deze variatie is op dit moment nog niet voorhanden. Het aantal teken lijkt de afgelopen decennia te zijn toegenomen in Nederland, mogelijk als gevolg van klimaatverandering, meer biodiversiteit en ander natuurbeheer. Hierdoor is het aantal tekenbeten bij mensen en ook het aantal Lymepatiënten toegenomen. Het is nog onduidelijk of er in Nederland ook sprake is van een toename van met anaplasma besmette teken. Anaplasma is ook een zoönose, maar het ontbreekt het RIVM aan inzicht in de incidentie van humane granulocytaire anaplasmose. Hoewel wilde dieren als reeën, muizen en vogels een belangrijke rol spelen bij de verspreiding en het in standhouden van tekenpopulaties, is het niet duidelijk welke (wilde) dieren de belangrijkste bron zijn voor het type anaplasma dat de bovenstaande problemen veroorzaakt (ecotype I) (18).

Aangezien Ixodes ricinus ook graag voedt op schapen, en schaapskuddes vaak terugkomen op dezelfde plekken, zijn schapen zelf misschien een belangrijke bron van besmetting voor de tekenpopulatie en dus voor de terugkerende problematiek bij de kuddes. Omdat sommige natuurgebieden alleen maar beheerd kunnen worden met schapen, is deze aandoening op die plekken een wezenlijk probleem. Er is dan ook meer onderzoek nodig om de grootte van het probleem beter in kaart te brengen en praktische preventiemaatregelen te vinden.

Met dank aan
DAP Beilen, alle betrokken schaapsherders, de bij de diagnostiek betrokken pathologen en microbiologen, Sip van Wieren, en de studenten Sacha Trim, Lianne Smink, Daisy Kenter, Nikita Burggraaf en Ilse Schutte.

Tekst Margit Groenevelt1, Judith van Andel2, Niels Dekker3, Reinard Everts1, Jolianne Rijks4, Hein Sprong5

1 Diergeneeskundig Centrum Zuid-Oost Drenthe, 2 Provinos, 3 Faculteit Diergeneeskunde, Afdeling Klinische Infectiologie 4 Dutch Wildlife Health Centre (DWHC), 5 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Centrum voor infectieziektebestrijding (CIb)

Referenties

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen