Antibioticaresistentie blijft aandacht vragen

Afscheid Dik Mevius van Wageningen Bioveterinary Research

Na 25 jaar nam professor Dik Mevius per 1 februari 2019 afscheid van Wageningen Bioveterinary Research in Lelystad om te gaan genieten van zijn pensioen. Hij kijkt terug op mooie resultaten. “De perceptie was dat we een van de landen in Europa waren waar het meest antibiotica werden gebruikt. De afgelopen tien jaar is een enorme reductie van het antibioticagebruik gerealiseerd. Nu zijn we op dit gebied gidsland.” Een opvolger die Diks brede veterinaire achtergrond combineerde met zijn specifieke kennis van antibioticaresistentie bleek moeilijk te vinden. Zijn taken zijn dus verdeeld. Kees Veldman zal zich vanaf nu bezighouden met de referentietaken, waaronder de jaarlijkse monitoring en de MARAN-rapportages. Mike Brouwer ontfermt zich over het wetenschappelijke onderzoek.

Antibioticaresistentie lijkt tegenwoordig minder vaak in het nieuws te zijn, maar Dik Mevius geeft aan dat het probleem bij de WHO nog hoog op de agenda staat. “In Nederland is antibioticaresistentie binnen de humane geneeskunde nog onder controle. Er vinden slechts zo nu en dan uitbraken plaats van resistente bacteriën. Ondertussen is bekend dat de deze resistente bacteriën slechts zeer zelden afkomstig zijn uit de veehouderij.” De ESBLAT-studie onderzocht de genetische verwantschap tussen ESBL-dragende bacteriën. “De ESBL’s bij mensen bleken vooral gerelateerd te zijn aan de resistente bacteriën van andere mensen. De genetische vergelijking liet zien dat dierlijke reservoirs weinig aan dit probleem bijdroegen.”

Ontstaan resistentie

Al in zijn oratie in 2007 uitte Dik de zorg dat er een bijdrage was aan antibioticaresistentie vanuit de veehouderij, maar volgens hem was het de vraag of er dus ook echt een probleem was. “We kenden en kennen in Nederland weinig problemen met antibioticaresistentie bij de mens, terwijl we een heel intensieve veehouderij hebben, waar toentertijd veel antibiotica werden gebruikt en bij dieren veel resistente bacteriën werden gevonden.” Als dieren in de veehouderij langdurig worden blootgesteld aan antibiotica bestaat er wel een kans dat er nieuwe varianten van antibioticaresistentie ontstaan. Dit is een evolutionair probleem. Maar volgens Dik blijken veel resistentiegenen voor het eerst op te duiken in de humane geneeskunde. “In gebieden als Afrika, Zuidoost-Azië, India en China worden nog veel antibiotica gebruikt. Ook daar ontstaat al bewustwording van het gevaar van resistentie, maar de mensen hebben vaak meer problemen, die dringender aandacht vragen.” In welk domein de resistentie ook ontstaat, ze zal zich over de hele wereld verspreiden. “Een grote bijdrage aan deze verspreiding komt van het reisgedrag van mensen, de wereldwijde in- en uitvoer van dierlijke producten en dieren, en mensen die behandeld worden in buitenlandse ziekenhuizen en dan naar huis terugkeren. Resistentiegenen zijn al snel te vinden in de mens, in het milieu, en bij dieren.

Zelfs bacteriën onder het ijs van Groenland bevatten ze.” Al deze reservoirs wisselen uit met alle andere reservoirs. Dus ontsnappen aan de resistentie lijkt onmogelijk. Dik geeft het voorbeeld van colistine, dat veel is gebruikt bij kalveren en speenbiggen. “Ook in China paste men dit middel vaak toe. In 2015 werd daar voor het eerst een overdraagbaar gen gevonden dat codeerde voor resistentie tegen colistine. Deze resistentie bleek daar veel voor te komen, ook bij mensen die in contact stonden met de veehouderij. Als Wageningen Bioveterinary Research zijn wij gaan kijken of het colistineresistentiegen ook in Nederland voorkwam en ja: wij vonden het ook. Het was onwaarschijnlijk dat we het uit China geïmporteerd hadden. Waarschijnlijk was het gen dus al over de wereld verspreid.” Het is niet te voorspellen welke resistenties nog zullen ontstaan, maar het team houdt de ontwikkelingen goed in de gaten. “In de ons omliggende landen worden de carbapenemase producerende enterobacteriën (CPE’s) al gezien in landbouwhuisdieren”, geeft Dik aan. “Die zullen we hier binnenkort ook wel aantreffen.”

Voorkomen van problemen

Dat resistentiegenen terechtkomen in de Nederlandse veehouderij is volgens Dik dus niet te voorkomen. “De vraag is of de resistente bacteriën in die nieuwe omgeving ook tot een probleem zullen uitgroeien. Dat hangt af van de lokale omstandigheden. In een intensieve veehouderij waar het antibioticum waar de bacteriën resistent tegen zijn veel wordt gebruikt en dieren worden uitgewisseld tussen boerderijen is er grote kans dat een snelle verspreiding plaatsvindt.” Een probleem kun je voorkomen door de lokale omstandigheden zo in te richten dat de resistentie op die plek niet sterk kan uitgroeien. “Dus wanneer bijvoorbeeld de CPE’s in Nederland opduiken is het zaak dat ze in de veehouderij geen voedingsbodem vinden om zich in te verspreiden. Daarbij gaat het om meer dan antibioticumgebruik. Ook de indeling van de veehouderijketens en de gebruikte houderijsystemen spelen een rol.” Antibioticaresistentie is een complex probleem, benadrukt Dik. “De resistentiegenen blijven in de populatie aanwezig. Kijk naar ESBL’s, die zijn in de pluimveesector sterk afgenomen. In de melkveesector en de varkenssector is het voorkomen van ESBL’s stabiel laag, maar bij vleeskalveren zien we een toename. ESBL’s zijn dus niet uit de populatie verdwenen. Zolang er bacteriën zijn met ESBL’s en andere resistenties kun je niet zomaar meer antibiotica gebruiken, anders creëer je een omgeving waarin de resistentie opnieuw kan opkomen.” Dik verwacht daarom dat in de toekomst het antibioticagebruik in de veehouderij laag zal moeten blijven. “De dierenarts krijgt steeds meer de rol de dieren gezond te houden zonder systematisch gebruik van antibiotica.” Hij wijst erop dat antibiotica in het verleden werden gebruikt om systemische problemen in de veehouderij te maskeren. “Alle partijen in de dierhouderij hadden voordeel van het geven van antibiotica. Nu is deze optie weggehaald. Dus we moeten de gezondheid op een andere manier gaan sturen. Hier zal binnen de veehouderij en de diergeneeskunde steeds meer aandacht voor komen.”

Monitoring en onderzoek

Onder leiding van Dik Mevius heeft Wageningen Bioveterinary Research de resistentiemonitoring helpen opzetten in Nederland en Europa. “In 1999 werd het gebruik van groeibevorderaars vanuit Brussel deels verboden. We hebben vanaf 1998 de monitoring opgezet om het effect van het verbod te meten.” Kees Veldman legt uit: “We volgen hoe het resistentiepatroon verandert in de tijd. Worden er minder antibiotica gebruikt, dan gaan we na of we dat terugzien in het voorkomen van resistentie.” Om echt trends te kunnen volgen door de tijd en tussen landen is het nodig te standaardiseren. Kees zit in de werkgroepen die hierover gaan. “De komende uitdaging is de overgang van een fenotypische methodiek, waarbij je kijkt hoe bacteriën reageren op antibiotica, naar een genotypische methodiek, waarbij je kijkt naar de resistentiegenen in het DNA van de bacterie. Hoe kun je zorgen dat je nieuwe gegevens nog steeds kunt vergelijken met data uit voorgaande jaren? En hoe ga je ermee om dat sommige landen wat deze techniek betreft voorop lopen, terwijl andere achterblijven? Vanuit de Europese Unie denkt men nu aan een vrijwillige instaproute voor de nieuwe genotypische monitoring, die pas later verplicht zal worden gesteld.”
Daarnaast zijn in Wageningen Bioveterinary Research moleculaire technieken ontwikkeld om de verspreiding van resistentie in kaart te brengen, met name het plasmide-onderzoek. Mike Brouwer werkt aan modernere technieken. “We bepalen de resistentie nu nog met een Europees vastgesteld panel antibiotica. Dat is niet volledig. Als er een nieuw resistentiegen opduikt, beschikken we over een bank van bacteriestammen vanaf 1998 met ongeveer 40.000 Salmonellastammen. Wil je terugkijken in deze stammen dan moet je selecteren op een specifiek resistentiepatroon en de stam weer laten groeien voor je naar een gen kunt zoeken.” Mike wil de komende jaren inzetten op ‘whole genome sequencing’. “Als je van de bacteriën het hele genoom in kaart hebt gebracht kun je daarin makkelijk gensequenties terugzoeken. Je weet dezelfde dag of de resistentie al eerder voorkwam of niet. Verder zullen we betrouwbaarder kunnen aangeven of de ene bacterie bij het ene en een bacterie met hetzelfde gen bij een ander dier wel of niet verwant zijn. We doen nu nog specifiek onderzoek naar dit soort verbanden, maar als je ‘whole genome sequencing’ gebruikt kan monitoring volstaan.” Mike zal daarnaast werken aan microbioomanalyse vanuit het perspectief van de diergezondheid. “We willen kijken wat een gezond microbioom is en of erop valt te sturen. Een AIO gaat hier bij ons onderzoek naar doen.”

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen