Beter Leven keurmerk ook voor dierenarts interessant

Het Beter Leven keurmerk van de Dierenbescherming liet vorig jaar een omzetgroei zien van 500 miljoen euro. Vooral de verkoop van vleeswaren met één ster is gestegen. Stegeman gaat minder vlees gebruiken, Kips breidt het assortiment uit met vegetarische producten en Huls stapt over op één ster voor al zijn droge worsten. En het Europees parlement heeft een resolutie aangenomen om het welzijn van vleeskuikens te verbeteren – naar voorbeeld van Beter Leven.

De introductie van het keurmerk was elf jaar geleden een spannende stap voor de Dierenbescherming. Marijke de Jong, programmamanager Beter Leven keurmerk, schetst de aanleiding. “Er zat een enorm gat tussen de bescherming van dierenwelzijn door de wet – gangbaar vlees, goed voor 98 procent van de omzet – en ‘biologisch’ – 2 procent.

We waren voorstander van biologisch vlees, maar we zagen dat dit veel te duur was voor de gemiddelde consument. Dus we hebben een tussenstap bedacht die haalbaar was voor boeren en een grote groep consumenten.” Het was gedurfd om het imago van de Dierenbescherming te verbinden aan de consumptie van vlees. “Maar onze organisatie is niet activistisch.”

Tot in de verpakking

De Jong legt uit dat het zijn van een ‘maatschappelijke organisatie’ een andere benadering vergt dan het voeren van een keurmerk. Een ‘keurmerk’ is een strak programma, met transparante criteria, controle en toezicht. “We hebben in 2012 een aparte controlestichting opgericht. We sluiten met de audits aan bij bestaande systemen als IKB en SKV.” Maar het systeem omvat veel meer dan controles op dierenwelzijn. De Jong: “We willen garanderen dat de consument die ervoor kiest, een stukje vlees koopt van een dier dat echt een beter leven heeft gehad. Daarom controleren we elke schakel in de keten, tot aan de verpakking.” De stichting staat los van de Dierenbescherming om elke schijn van belangenverstrengeling te vermijden. “We willen beslist niet verdienen aan vlees,” aldus De Jong.

Langzaam

Ondanks het succes blijft er veel te wensen over. “De veehouderijsystemen met één ster zijn nog behoorlijk intensief. We streven stapsgewijs naar verdere verbetering. We willen de boeren de tijd geven voor aanpassingen. Daarom hanteren we overgangstermijnen, bijvoorbeeld voor daglicht en verbouw,” aldus De Jong. De plofkip is mede door het keurmerk vrijwel verdwenen uit de Nederlandse schappen. En in de varkenshouderij is één ster de basis geworden. Helaas geldt dit alleen voor de nationale markt. “Voor de export zou de overheid aanvullende eisen moeten stellen, maar dat gebeurt niet vanzelf. We lobbyen dus met Eurogroup for Animals (de Europese Dierenbescherming) en de Federation of Veterinarians of Europe (FVE) voor betere wetgeving, met bovengenoemde resolutie voor vleeskuikens als resultaat. Maar het gaat langzaam,” verzucht De Jong.

Niet in beeld

De samenwerking met de FVE roept de vraag op of de Nederlandse dierenarts een rol heeft bij het ontwikkelen van het keurmerk? De Jong geeft toe dat de dierenarts hierbij niet echt ‘in beeld’ is vanwege verschillen van inzicht op het gebied van gezondheid. “Sommige dierenartsen vinden het uit oogpunt van hygiëne ‘gevaarlijk’ om dieren naar buiten te doen, of om ze niet op roosters te houden. Terwijl wij groot voorstander zijn van een diervriendelijke manier van houden, dus het beschikbaar stellen van stro belangrijk vinden.” De dierenarts wordt niet altijd erkend als pleitbezorger van dierenwelzijn. “In het buitenland ligt dit overigens anders,” legt De Jong uit.

Individuele verschillen

We leggen het voor aan bioloog Bas Rodenburg, hoogleraar Dierenwelzijn aan de faculteit Diergeneeskunde. Zijn departement Dier in Wetenschap en Maatschappij richt zich op het welzijn van alle diersoorten. “Mijn specialisatie is het meten van welzijn,” legt hij uit. Nieuwe methoden maken het mogelijk individuele dieren te vragen naar hun ‘welzijn’. “We onderzoeken de rol van individuele verschillen en persoonlijkheid. Daarmee hopen we meer aan preventie te kunnen doen, bijvoorbeeld als bepaalde dieren op het punt staan ongewenst gedrag te ontwikkelen.” Rodenburg denkt dat de moderne boer(in) hier veel mee kan: “Je kunt zo een groot bedrijf hebben én het individuele dier aandacht geven.” De rol van de faculteit Diergeneeskunde beperkt zich tot het desgevraagd ontwikkelen van kennis. Rodenburg: “En uiteraard onderwijs.”

Goed gevoel

Overigens is dierenwelzijn een ‘begrip in ontwikkeling’. Rodenburg beschouwt gezondheid als een onderdeel van dierenwelzijn, gedefinieerd als: goede lichamelijke gezondheid, goede geestelijke gezondheid en natuurlijk gedrag. Het betekent dat dieren ‘zich goed moeten voelen’. En dit is meetbaar. “Je kunt dieren bijvoorbeeld vragen naar hun voorkeuren, via voorkeurstesten en meten hoe ze bepaalde condities beleven. En met sensoren die op het lijf worden gedragen, kun je sociale interacties in kaart brengen.” Volgens Rodenburg kan ook de veterinaire professional hiermee het verschil maken. “Het houden van varkens met intacte staarten bijvoorbeeld, stelt hoge eisen aan het management. Varkensdierenartsen kunnen met behulp van bijvoorbeeld sensoren veel alerter zijn op gedragsproblemen.” Hij voegt er desgevraagd aan toe dat de dierenarts dan misschien meer onderbouwd de kant van het dier kan kiezen.

Moeite doen

Rick Janssen, varkensdierenarts in het zuiden des lands, is enthousiast over het Beter Leven keurmerk. “Het stimuleert de boeren moeite te doen voor welzijn en duurzaamheid.” Als zijn klanten er eenmaal aan meedoen, gaan ze ermee door. “Vooral omdat ze de extra inspanningen ook betaald krijgen. Het blijft wel een zakelijke afweging. ” Janssen vindt het grootste nadeel dat niet elke boer mee kan doen. “Er zijn bedrijven voor wie de investering te groot is, dergelijke bedrijven zijn dan bijvoorbeeld niet in staat om ruimte bij te bouwen voor gespeende biggen. En grote bedrijven komen al helemaal niet in aanmerking.” Hij begrijpt dat de Dierenbescherming de ontwikkeling van megastallen niet wil stimuleren, maar voor hem staat bedrijfsgrootte los van dierenwelzijn.

Interessante omgeving

“Meer personeel betekent niet automatisch meer aandacht voor dierenwelzijn,” geeft Janssen toe. “Maar voor het Beter Leven keurmerk moet je personeel getraind zijn in de omgang met varkens.” Zo biedt het programma een stok achter de deur voor het verbeteren van dierenwelzijn. Janssen ervaart het keurmerk zelf ook als steun in de rug. “Het is heel effectief dat wij het welzijn bespreken op de bedrijfsbezoeken.” Op de vraag of hij inhoudelijk goed is toegerust, bekent hij dat hij een beentje moet bijtrekken. “We weten met z’n allen nog te weinig van het natuurlijke gedrag van varkens en hoe we gehouden varkens een even interessante leefomgeving kunnen bieden. We weten wel dat aandacht voor welzijn goed is voor de gezondheid. Dat zie je bijvoorbeeld terug in lager antibioticagebruik.”

Levenslang leren

Janssen acht de gemiddelde dierenarts onvoldoende toegerust om dierenwelzijn actief te bevorderen, maar ziet voor de varkensdierenarts een coachende rol weggelegd. Hij betreurt het dat de Dierenbescherming en de KNMvD elkaar aanvankelijk nauwelijks opzochten in het kader van Beter Leven. “We werden telkens overvallen door wijzigingen in de reglementen. Op initiatief van de Vakgroep Gezondheidszorg Varken is dat sterk verbeterd.” Janssen vindt een actieve, ondersteunende rol goed passen bij de varkensarts: “Zo kun je veel betekenen voor het welzijn en de gezondheid van gehouden varkens. Maar de stapsgewijze benadering van het Beter Leven keurmerk is zowel voor de commerciële varkenshouder als voor de varkensarts van groot belang. We zullen ons levenslang moeten blijven ontwikkelen tot die goede coach, maar dat verrijkt ons vak.”

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen