BVDV type 2 besmetting op een Belgisch melkveebedrijf

Tekst Maris J., DVM*    Foto Pixabay

Een infectie met het Boviene Virale Diarree Virus (BVDV) kan een negatieve impact hebben op een rundveebedrijf. Dit artikel beschrijft het verloop van een BVDV type 2 infectie op een Belgisch melkveebedrijf. In april 2012 stierven in een periode van 14 dagen 17 volwassen melkkoeien als gevolg van acuut optredende diarree en deshydratatie. Een BVD infectie kon niet meteen worden bevestigd. Op verschillende tijdstippen tijdens de 34 daaropvolgende maanden kon BVDV type 2 worden geïdentificeerd.

BVD-virussen worden onderverdeeld in twee genotypes (type 1 en type 2), welke nog onderverdeeld zijn in verschillende subtypes. Van elke stam van beide genotypes bestaat een niet-cytopathogeen (ncp) en een cytopathogeen (cp) biotype (19). BVD virussen in België behoren vooral tot type 1. BVD type 2 komt eveneens voor (2). De voorbije jaren (2012 en 2014 tot 2015) werd zowel in Wallonië als in Vlaanderen in 4 procent (14) van de positieve BVD-stalen type 2 gevonden. BVD type 2 wordt vooral geassocieerd met erge klinische verschijnselen (1,3,17). BVDV type 1 kan echter ook erge bloedingsverschijnselen veroorzaken (8, 9). Anderzijds werd BVDV type 2 reeds beschreven op bedrijven zonder duidelijke klinische symptomen (11). In augustus 2014 informeerde de bedrijfsdierenarts ons van een verdenking van BVDV-infectie bij 2 vaarzen van 21 maanden oud.

Situatie

In augustus 2014 waren 179 dieren op het bedrijf en werden ongeveer 100 koeien gemolken. Het ‘zero grazing’-principe wordt toegepast. De kalveren en het jongvee worden gehuisvest in een gescheiden stal. Meerdere bio-veiligheidsmaatregelen worden genomen. Bedrijfskledij is aanwezig. Contact met buurtbedrijven is onmogelijk. Aangekochte dieren worden steeds onderzocht op BVDV (Ag ELISA). In april 2012 werd de bedrijfsdierenarts ontboden. Volwassen melkkoeien werden ziek. De melkproductie daalde abrupt. Meerdere koeien vertoonden hoge koorts (> 40 °C), soms erge waterige diarree met een hemorragisch aspect. Getroffen dieren dehydrateerden snel en in een periode van enkele uren tot dagen ging de algemene conditie in die mate achteruit dat ze in decubitus gingen. Tussen 5 en 28 april 2012 stierven 17 volwassen melkkoeien. Enkele koeien in de kudde waren minder ziek en herstelden. Eerst dacht de bedrijfsdierenarts aan BVD. Aan deze diagnose werd echter getwijfeld vanwege een volledig negatief jongveevenster dat dateerde van een maand eerder. In de differentiële diagnose past hier een Salmonella-infectie. Bacteriologisch onderzoek op faeces van zieke koeien werd uitgevoerd. Met negatief resultaat. Op het toppunt van de ziekte-uitbraak werden op tankmelk een PCR-onderzoek BVDV en een antistoffentest voor Salmonella uitgevoerd, met negatief resultaat. Tussen 16 april en 17 augustus 2012 aborteerden er 4 koeien maar BVDV-testen hiervan waren negatief (BVDV Ag ELISA, foetus). Op 12 mei 2012 werden enkele koeien onderzocht op antistoffen tegen Anaplasma, Leptospira, Salmonella, Schmallenbergvirus, BVDV alsook BVD-antigen. Bij enkele koeien werden BVDV-antistoffen aangetroffen, de andere testen waren negatief. Vanaf 27 juni 2012 werd elk pas geboren kalf onderzocht voor BVDV (Ag ELISA; oorbioptmethode). De eerste vijf geboren kalveren testten negatief. Op 4 oktober 2012 werd een eerste kalf positief bevonden. De volgende maanden (zie schema) werden meerdere kalveren geboren met neurologische afwijkingen (ataxie, ophistotonus). Deze werden dadelijk geeuthanaseerd. Kalveren die geen afwijkingen vertoonden werden onderzocht op BVDV en indien positief geëlimineerd. Op 14 augustus 2013 werd een voorlopig laatste kalf positief getest. Tot 27 augustus 2014 werden 35 kalveren negatief getest. Bij twee koeien die aborteerden in mei 2014 kon geen BVDV worden aangetoond. Op 13 mei 2014 werd een jongveevenster genomen waarin drie van de vijf dieren positief waren voor antistoffen. Op 27 augustus 2014 verzocht de veehouder de bedrijfsdierenarts om twee vaarzen (A en B) van ongeveer 21 maanden oud te onderzoeken. Deze waren BVDV viremisch (BVD Ag ELISA). Dit virus werd in het CODA als BVDV type 2 werd getypeerd (RT-PCR). Dier A vertoonde hoge koorts, diarree en snelle verslechtering van de algemene toestand en stierf een dag later. Vaars B was volgens de veehouder altijd in groei achtergebleven. Bij deze vaars B konden noch antistoffen worden aangetoond tegen BVDV type 1, noch BVDV type 2 (seroneutralisatietest). Op 11 september 2014 werd vaars B geeuthanaseerd. Een autopsie werd uitgevoerd. Stalen van verschillende organen werden onderzocht op de aanwezigheid van BVDV (RT-PCR, virusisolatie; CODA). In elke staal werd BVDV aangetoond (tabel 2). Het virus werd geïdentificeerd als BVDV type 2a. De moeders van beide vaarzen waren nog aanwezig op het bedrijf, beide negatief voor BVD Ag. Beide dieren hadden BVDV antistoffen (tabel 3). Op 30 september 2014 werd het hele bedrijf gescreend voor BVDV. Alles was negatief. Op 6 maart 2015 was een pasgeboren kalf opnieuw positief (BVD Ag ELISA). Het aanwezige virus werd getypeerd als BVDV type 2 (RT-PCR). Op 4 juni 2015 werd nog een kalf geboren besmet met BVDV type 2.

Discussie

De herkomst van de besmetting die de eerste uitbraak met sterfte bij volwassen melkkoeien in april 2012 veroorzaakte kon nooit worden achterhaald. Vermoedelijk werd het BVDV type 2 omstreeks maart 2012 op het bedrijf binnengebracht en veroorzaakte de ernstige ziektetekens. Zelfs na het nemen van maatregelen kon op verschillende tijdstippen gedurende drie daarop volgende jaren het BVDV type 2 worden aangetoond. De twee vaarzen A en B die in augustus 2014 ziek werden, werden bij geboorte 21 maanden eerder via een oorbiopt negatief getest. De aangetroffen Ct-waarden (RT-PCR) in de stalen genomen bij de autopsie van vaars B alsmede het feit dat dit dier geen antistoffen vertoonde tegen het BVDV, zouden impliceren dat dit dier een drager is (6). Dit betekent dat het oorbioptonderzoek van vaars B bij de geboorte vals negatief zou zijn geweest. Het kalf dat in maart 2015 positief was bevonden werd wellicht intra-uterien besmet in augustus 2014 toen de twee zieke vaarzen werden geïdentificeerd. De moeder van het kalf geboren in juni 2015 werd bevrucht begin september 2014 waardoor de meest kritische periode voor ontwikkeling van een PI kalf dan lag tussen begin oktober en eind december 2014. Op 30 september 2014 echter werd het hele bedrijf gescreend en werd er geen drager gevonden. Het is mogelijk dat op dit bedrijf de BVDV-circulatie gedurende minstens twintig dagen onderhouden kon worden zonder aanwezigheid van dragers, ervan uitgaande dat geen fouten werden gemaakt bij de screening (7,13). Transiënte BVDV-infecties zouden in zeer geringe mate verantwoordelijk zijn voor BVDV-verspreiding (19). In mei 2012 werd een eerste maal conctact met het BVDV aangetoond. Op 4 oktober 2012 werd bewezen dat er BVDV op het bedrijf was. Op 13 mei 2014 was een JVV positief. Jongveevensters zijn een goed instrument om BVDV-circulatie op een bedrijf aan te tonen, op voorwaarde dat de stalen representatief zijn voor alle jongvee.

De beschrijving van van deze casus toont aan dat om BVDV op bedrijfsniveau te controleren meer nodig is dan alleen maar het opsporen en verwijderen van dragers. De drie hoofdonderdelen van efficiënte BVDV-controle moeten volledig en uiterst nauwkeurig uitgevoerd worden: bio-veiligheidsmaatregelen, opsporen en verwijderen van dragers, en op regelmatige basis monitoren (13). Dit kan worden aangevuld met vaccinatie. Vaccineren is zeker van nut in een endemische BVDV-situatie in gebieden met een hoge rundveebezetting zoals België.

Met dank aan de praktijkdierenartsen voor het melden en samen opvolgen van deze case alsook dank aan de betrokken labo’s voor hun medewerking.

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen