Dierenarts en veterinair microbioloog in opleiding

Toen Marloes Heijne (nu 36) nog een meisje van 7 was, wist ze al dat ze dierenarts wilde worden. Dat doen meer meisjes van 7, maar in alle jaren erna was er nooit een moment dat ze aan een ander beroep dacht. Als mensen in haar omgeving andere mogelijkheden opperden, kregen ze telkens hetzelfde antwoord: “Ik wil dierenarts worden.” En daarmee basta. Na een jaar studeren aan de opleiding diergeneeskunde in Gent, werd Heijne ingeloot voor de opleiding in Utrecht. Dat was even omschakelen: “In Nederland mochten we bij vakken als scheikunde het boekje Binas gebruiken, maar in België moesten we de formules allemaal uit het hoofd leren.”

Ik ben Saskia, dierenarts. Tien jaar geleden ben ik afgestudeerd en ik werk sindsdien in een gemengde praktijk. Een leuke job, maar wil ik dit tot mijn pensioen doen? In deze rubriek doe ik verslag van mijn gesprekken met dierenartsen met een andere carrière. Wat doen ze precies, wat is er leuk aan hun werk en wat niet, en hoe zijn ze hier terechtgekomen? Mijn voorland? Wie weet…

Constante druk

Heijne koos voor de richting landbouwhuisdieren en nadat ze afgestudeerd was in 2008 popelde ze om in de praktijk aan de slag te gaan. “Er heerste in die tijd blauwtong onder runderen en schapen in Nederland, dus ik dacht dat er wel werk voor me zou zijn.” Dat klopte: ze werd al snel aangenomen bij een gemengde dierenartspraktijk in Koudum en Workum, in het zuidwesten van Friesland. “Yes, eindelijk!” dacht ze. Haar meisjesdroom werd waarheid, maar de praktijk bleek neteliger dan het ideaalbeeld. “Ik vond alle contacten met mensen erg leuk en het gebied waarin ik werkte prachtig, maar ik kwam er voor mezelf ook achter dat niet alles van het beroep bij me paste. Het is een intensief vak: de diensten, ‘s nachts uit je bed gebeld worden en dan fysiek zwaar werk moeten doen … dat ging me niet in de koude kleren zitten. Je kunt het werk niet goed plannen en je weet nooit wat er van tevoren gaat gebeuren. Die constante druk vond ik heftig.”

Dr. House

Er was nog iets anders dat Heijne als dierenarts in het veld ontdekte: zij wilde áltijd het naadje van de kous weten. Dat had tot gevolg dat ze, als een Dr. House van de landbouwhuisdiergeneeskunde, regelmatig naar ‘gekke casussen’ werd gestuurd. Samen met collega’s begon ze ook met mestonderzoek van paarden en schapen om gerichter te kunnen behandelen. Die speurdersmentaliteit, de drang om alles tot op de bodem uit te zoeken, bleek soms ook lastig in de praktijk: “Op het moment dat een probleem over is, ga je meestal gewoon verder. Veehouders zijn daarin logischerwijs ook praktisch: als het over is, is het over. Klaar. Toen dacht ik: misschien zit er toch meer een onderzoeker in mij dan ik aanvankelijk dacht.”

CSI-achtig

Ze verhuisde terug naar Utrecht, waar ze een jaar werkte als junior docent bij de afdeling Landbouwhuisdieren van de faculteit Diergeeskunde. Toen ze de kans kreeg om als veterinair microbioloog in opleiding aan de slag te gaan bij Wageningen Bioveterinary Research in Lelystad, greep ze die met beide handen aan. Daar bloeide de onderzoeker in haar helemaal op. “Ik had natuurlijk weinig laboratoriumervaring. Ik begon bij de afdeling bacteriologie bij de basis met opdrachten als ‘dit komt uit een paard, onderzoek maar wat het is’.” Deze nieuwe wereld van micro-organismen en afweerstoffen bleek mateloos interessant. Ze ontdekte ook dat de technische kant van de diagnostiek zich enorm had ontwikkeld: “Veel diagnostiek gebeurt op basis van PCR door het aantonen van RNA of DNA. Ik had daar wel iets over geleerd maar van Real Time PCR of sequencen, waarbij al het DNA of RNA van een bacterie of virus in kaart wordt gebracht, had ik geen kaas gegeten. Neem als voorbeeld een uitbraak van vogelgriep: we willen niet alleen meer weten of het om hoogpathogene of laatpathogene virussen gaat, we brengen ook het volledige RNA in kaart om te onderzoeken waar het virus vandaan komt en hoe het zich heeft ontwikkeld. Dat zijn echt CSI-achtige vragen.”

Chlamydia bij leghennen

Nu doet Heijne onderzoek naar Chlamydia bij leghennen. In Lelystad speelt onderzoek naar meldingsplichtige dierziekten een belangrijke rol, waaronder psittacose, dat vooral voorkomt bij gezelschapsvogels als papegaaiachtigen en duiven maar in België ook bij pluimvee was ontdekt. Tegelijkertijd kwam er een publicatie uit over een hogere incidentie van longontsteking bij omwonenden van pluimveebedrijven drijven. “Met Q-koorts nog vers in het geheugen, kwam de vraag op: zouden we de bacterie Chlamydia psittaci, die psittacose veroorzaakt, ook kunnen vinden in pluimvee?”

Koppelgeneeskunde

Dat was niet het geval, maar Heijne en haar collega’s vonden wel een verwante bacterie: Chlamydia gallinacea. Net als Coxiella burnetii, die Q-koorts kan veroorzaken, heeft Chlamydia cellen nodig om te groeien en kan dus niet in een petrischaaltje worden gekweekt. “Het is mij uiteindelijk gelukt om de bacterie te verkrijgen op een ouderwetse manier: in bevruchte kippeneieren”, zegt de microbioloog in opleiding. Vooralsnog lijkt de bacterie geen ziektes te verwekken, maar Heijne wil weten of het micro-organisme écht onschuldig is voor mensen en dieren. Dat is nu haar focus, waarin ze al haar aangeboren nieuwsgierigheid kwijt kan. “Wat mijn vak ook leuk maakt, is samenwerking met artsen. Waar artsen vooral kijken naar de gezondheid van een individu, zijn dierenartsen gewend om naar een koppel dieren te kijken. Beide disciplines vullen elkaar aan.”

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen