Dierenartsenpraktijk steeds vaker ‘onderdeel van’

Doorn, 8 februari 2019 – Maaike van den Berg en Rens van Dobbenburgh spreken met de Nederlandse vertegenwoordigers van de veterinaire ‘groepen’ AniCura, CVS, Evidensia en Ranzijn. Respectievelijk Jakko Vinken, Lenny Jelsma, Michiel van Silfhout en Daphne Groenheyde-Hummen doen eerst uit de doeken wat hun organisaties kenmerkt.

Vervolgens ontspint zich een pittig gesprek over de kansen en bedreigingen van de vorming van grotere verbanden van dierenartsenpraktijken. Dat deze ontwikkeling grote gevolgen heeft voor de dierenarts – en dus de KNMvD – staat buiten kijf. Het gesprek moet inzicht verschaffen in de consequenties voor de beroepsgroep.

Rens van Dobbenburgh leidt het gesprek in. Hij ziet de vorming van grote veterinaire verbanden als een majeure verandering van het veterinaire landschap. Uiteraard biedt de ontwikkeling kansen; de aanwezigen zullen die allemaal op hun eigen manier naar voren brengen. Maar er zijn ook veel onzekerheden waar hij oog voor wil krijgen in het belang van de lezers van het Tijdschrift. “Ik wil onder meer het financiële model begrijpen,” legt hij uit. “Maar ik wil vooraf duidelijk maken dat we met dit gesprek beslist geen keuze voor een bepaalde groep willen helpen maken.” Maaike van den Berg werkt aan een verkenning van de impact van de vorming van veterinaire groepen op de KNMvD. “Ik betrek de leden graag bij de constructie van het grotere plaatje,” stelt ze.

Kwaliteit en ondernemerschap

Jakko Vinken van AniCura trapt af. Hij is niet veterinair geschoold – zijn achtergrond is ‘consultancy’ en ‘sales management’ – maar heeft een bewuste keuze gemaakt voor deze branche, omdat het werk van de dierenarts zo maatschappelijk relevant is. “Ik zie ongeëvenaard veel betrokkenheid, talent en beroepstrots,” merkt hij op. Hij is directeur Nederland van de AniCura groep, waartoe ook de ‘Sterklinieken’ behoren. De groep is klein begonnen in Scandinavië (2011) en telt inmiddels meer dan 250 dierenartsenpraktijken. Met 5000 werknemers – waarvan 1800 dierenartsen – in pakweg tien landen is AniCura relatief een grote speler op het veterinaire veld. De gezelschapsdieren- en gemengde praktijken leveren eerstelijns en gespecialiseerde diergeneeskundige zorg. Nieuwe toetreders worden geselecteerd op kwaliteit en ondernemerschap. “We investeren veel in de medewerkers van onze klinieken, apparatuur en de panden en we zoeken mensen die mee willen bouwen aan onze organisatie,” legt Vinken uit. “We geloven niet in stramienen, dus ‘jij moet’ of ‘jij mag niet’ zul je bij ons niet horen. We vinden het juist belangrijk dat een praktijk een eigen identiteit heeft en zelf ontwikkelt en innoveert.” Hij is ook niet vies van concurrentie. “Er valt gelukkig wat te kiezen en de veterinaire branche is gebaat bij een gezond spel.” Halverwege 2018 is de groep toegevoegd aan de Veterinary Health Group van Mars Petcare, dat onder meer eigenaar is van de Amerikaanse veterinaire groepen Banfield, VCA en Blue Pearl en diervoedermerken als Royal Canin. Onder de vleugels van dit familiebedrijf is AniCura financieel gezien ‘onder de pannen’.

Integraliteit en ontwikkeling

CVS is met zestien dierenartsenpraktijken in Nederland een kleine groep, maar in Groot-Brittannië ligt dat anders. De groep telt in totaal zo’n 500 praktijken, 1500 dierenartsen en 2000 paraveterinairen. ‘Operations director’ en dierenarts Lenny Jelsma kwam bij CVS terecht vanuit de farmaceutische industrie. “Ik vond het vormen van grotere professionele verbanden een interessante ontwikkeling,” vertelt ze enthousiast. “En CVS trok me in het bijzonder door de ‘Britse attitude’ die onder meer gekenmerkt wordt door veel aandacht voor training en ontwikkeling, ook van paraveterinairen.” De groep wil zich onderscheiden door integraliteit. “We hebben niet alleen praktijken en verwijsklinieken, maar ook eigen laboratoria en crematoria. En we verlenen veel veterinaire diensten online.” Deze zelfvoorziening is tevens belangrijk voor het verdienmodel. Praktijken – gezelschapsdieren, paarden en landbouwhuisdieren – die zich aansluiten bij CVS houden hun eigen identiteit, maar de ‘backoffice’ wordt overgenomen, bijvoorbeeld op HRM-gebied. Jelsma: “Veterinaire zorg wordt steeds kennisintensiever, het kan lastig zijn voor individuele praktijken om aan goede dierenartsen en paraveterinairen te komen. In de UK hebben we daarom een samenwerkingsverband met een gespecialiseerd werving- en selectiebureau.” Het is geen geheim dat het beursgenoteerde CVS recent een winstwaarschuwing heeft afgegeven, waardoor de aandelenkoers onder druk staat. Dit heeft gevolgen voor de aankoopsnelheid van praktijken in Groot-Brittannië. “Maar in Nederland gaan we gewoon door met investeren in en verwerven van dierenartsenpraktijken,” verzekert Jelsma de aanwezigen.

Samenwerking en kwaliteit

Evidensia, eveneens van Scandinavische origine, wordt vertegenwoordigd door directeur Nederland Michiel van Silfhout. Hij is jurist en dierenarts. Zijn passie is organiseren. Toen na tien jaar advieswerk en management de kans zich voordeed om bij Evidensia te werken, was voor hem persoonlijk de cirkel rond. “We bouwen samen aan een sterke organisatie. Dierenartsen en paraveterinairen zien ons niet als een keten maar als een groep.” Evidensia is met pakweg duizend praktijken – zowel gezelschapsdieren en paarden als landbouwhuisdieren – de grootste groep in Europa. De meerwaarde wordt vooral gevonden in betere samenwerking en ontwikkeling van de praktijken. “We bouwen aan regionale netwerken waarin klinieken en ziekenhuizen elkaar helpen. En we stimuleren inhoudelijke ontwikkeling, onder meer door gezamenlijke nascholing via onze eigen ‘academy’,” aldus Van Silfhout. “Mede daardoor is het afgelopen jaar een groot aantal specialisten bij ons komen werken.” Evidensia-praktijken houden hun ‘look and feel’ en bedrijfseigen cultuur. Ondersteuning vanuit de groep heeft betrekking op ICT, inkoop en financiële administratie. “We hebben vijftig mensen op kantoor om de praktijken te helpen.” Optioneel wordt hulp geboden op het gebied van HRM, nascholing en communicatie. “De strategie van onze groep maken we samen met onze dierenartsen via onze ‘clinical board’,” legt hij uit.” Evidensia is sinds 2014 in handen van een investeringsfonds, private equity EQT.

Gezonde werk-privébalans

Ranzijn is tussen de groepen een ‘vreemde eend in de bijt’, maar een partij om rekening mee te houden. Het tuincentrum met veertien dierenartsenpraktijken wordt vertegenwoordigd door paraveterinair en ‘businessmanager’ Daphne Groenheyde-Hummen. “Ik heb ook psychologie gestudeerd,” lacht ze. “Dat komt in mijn werk goed van pas.” Ranzijn heeft namelijk heel lang onder vuur gelegen. “Dat is gezien onze positie in de markt heel begrijpelijk. We boden voornamelijk eerstelijns diergeneeskundige zorg met bescheiden mogelijkheden voor operaties en opname. Maar sinds 2018 zijn we bezig met ‘eerstelijns plus’. En nu hebben we de potentie om door te groeien tot volwaardige klinieken in al onze vestigingen.” Aanvankelijk was de dierenartsenpraktijk een experiment voor Ranzijn; nu niet meer. “De dierenartsenpraktijken vormen een belangrijk onderdeel van onze winkels. Al blijven we natuurlijk heel goed in planten verkopen,” zegt Groenheyde. Zelf vindt ze het prettig dat Ranzijn een familiebedrijf is. “We zijn heel laagdrempelig, ook voor medewerkers”. De heer Zwanenburg is persoonlijk geïnteresseerd in alles wat er omgaat in het bedrijf.” In het begin werkten bij Ranzijn vooral jonge dierenartsen. “Het is een goede leerplek,” legt Groenheyde uit. “We merken dat dierenartsen soms niet weten waar ze moeten beginnen na het afstuderen.” Inmiddels weten ook ervaren dierenartsen Ranzijn te vinden. “We bieden regelmatige en flexibele werktijden, veel mogelijkheden voor nascholing – ook voor paraveterinairen – een goede werksfeer en een CAO-conform salaris. We vinden betrokkenheid bij de toekomst van het bedrijf en een gezonde werk-privébalans heel belangrijk – voor al onze medewerkers.” En die geborgenheid loont kennelijk; Groenheyde heeft de afgelopen drie maanden vijftien dierenartsen kunnen aannemen.

Onderscheidend criterium

Alles overziend vallen tussen de organisaties aan tafel allereerst de overeenkomsten op. Alle vier hebben ze belang bij gezonde praktijken (of vestigingen), inhoudelijke kwaliteit, samenwerking, nascholing, efficiënte bedrijfsvoering en goede marketing. “Een groep kan nooit beter zijn dan de praktijken zelf,” zeggen de gesprekspartners haast in koor. Betekent dit simpelweg dat het bedrijf met de meeste klinieken koning op de weg is? Dat nu ook weer niet; er is wel degelijk kleurverschil. Groenheyde is meteen duidelijk: “Wij gaan geen praktijken kopen en we blijven heel gewoon.” Maar de andere gesprekspartners positioneren hun groep als ‘kwaliteitsleider’ – ook in gesprek met dierenartsen – en leggen daarbij nadruk op verschillende aspecten. Dus kwaliteit ‘in zijn geheel genomen’ is geen onderscheidend criterium.

Koste wat kost

Van Dobbenburgh en Van den Berg gooien het over een andere boeg. “Dierenartsen maken zich om drie dingen zorgen. Ten eerste dringt de vergelijking met een piramidespel zich op. Bij de aankoop van praktijken worden bedragen geboden die de klassieke goodwill ver te boven gaan. Hoe moet dit worden terugverdiend? Is de zorg terecht dat de dierenarts koste wat kost een hoge omzet zal moeten genereren, ongeacht professionele grenzen?” Niemand aan tafel wil het hierop aan sturen. Groenheyde geeft toe dat bij Ranzijn in het verleden geprobeerd is de veterinaire dienstverlening in een mal te gieten. “Aan elke handeling werd een tijdsbesteding en een prijskaartje gehangen. Maar daar zijn we heel snel van teruggekomen. Dierenartsen zijn sowieso geen goede verkopers.” En ook de andere organisaties hebben vooralsnog niet de neiging zo te werk te gaan. Van Silfhout: “Persoonlijke dienstverlening is de basis, klanten stemmen met de voeten. En ook dierenartsen lopen bij je weg als je ze hun professionele handelingsvrijheid ontneemt.” Vinken is het met hem eens: “Het gaat om de toekomst. Ook volgende generaties moeten bij je willen werken. Vandaar dat wij veel belang hechten aan ondernemerschap.” Jelsma kan deze zorg echter heel goed begrijpen. “Dit punt komt vrijwel altijd ter sprake bij dierenartsen. Ik leg dan uit dat het in ieders belang is dat al onze praktijken financieel gezond zijn en blijven.”

Veterinaire infrastructuur

Ten tweede maakt met name de KNMvD zich zorgen over het lot van praktijken – binnen of buiten een groep – die er niet in slagen de gewenste omzet te genereren omdat ze nu eenmaal in een kleine, afgelegen gemeente zijn gevestigd. Het is niet in het belang van een grote organisatie om ondernemingen die weinig geld in het laatje brengen, te verwerven of aan te houden bij zwaar weer. Maar de beroepsgroep als geheel draagt wel de verantwoordelijkheid om overal in Nederland diergeneeskundige zorg te verlenen. Van den Berg: “Diergeneeskunde is veel meer dan een ‘business regulated profession’. We koesteren de huidige veterinaire infrastructuur, bijvoorbeeld met het oog op dierziektebestrijding of het terugdringen van antibioticaresistentie.” Van Silfhout vindt Evidensia juist op dit punt van toegevoegde waarde: “Doordat we stevige regionale netwerken vormen, staan onze praktijken sterker.” Maar of dat realistisch is? Vinken geeft bijvoorbeeld ruiterlijk toe dat AniCura alleen goed presterende praktijken aan zich bindt, waardoor het niet voor de hand ligt om locaties af te stoten. De aanwezigen vinden dat de KNMvD hierin een belangrijke rol heeft. Jelsma: “We hebben allemaal belang bij een sterke brancheorganisatie met een stevige mening over de inrichting van het veterinaire landschap.” De vier organisaties juichen het KNMvD-lidmaatschap van hun dierenartsen toe. “Het blijft natuurlijk een persoonlijke keuze,” zegt Jelsma. “Maar CVS heeft zeer goede ervaringen met samenwerking met de Britisch Veterinary Association.” Hetzelfde belang wordt overigens gehecht aan samenwerking met de faculteit Diergeneeskunde.

Vrije veterinairen

De derde prangende vraag is of er in de toekomst nog plaats is voor ‘vrije veterinairen’? Of is dierenartsen hetzelfde lot beschoren als de opticiens, waarvan er nauwelijks nog werkzaam zijn buiten de grote ketens van commerciële brillenboeren? Wie zijn praktijk bij beëindiging van de werkzaamheden niet verkoopt aan een keten, is immers dief van zijn eigen portemonnee. Van Dobbenburgh: “Is het straks voor een individuele dierenarts nog wel op te brengen om mede-eigenaar te worden van een praktijk? Of een nieuwe vestiging te beginnen? En zo ja, heeft zo’n praktijk zonder de steun van een efficiënte ‘backoffice’ nog wel overlevingskansen?” Niemand heeft een glazen bol bij zich. Maar geen van allen heeft de intentie om zo de markt in te gaan. “We weten alleen niet waar het stopt,” geeft Vinken eerlijk toe. “Ik denk zelfs niet dat we over vijf jaar nog alle vier aan deze tafel zitten.” Van Silfhout knikt, maar relativeert ook de zorg: “We hebben gelukkig te maken met een groeimarkt die steeds kennisintensiever wordt, met veel ruimte voor innovatie. Het einde is nog lang niet in zicht. Voorlopig zijn er eerder te weinig dan te veel dierenartsen.”

Rens van Dobbenburgh (Chief Veterinary Officer Covetrus en Vice-President van de Federation of Veterinarians of Europe, FVE) en Maaike van den Berg (Lid nationale delegatie van de KNMvD bij de FVE, Councillor for Europe en voorzitter van de Pharmaceutical Stewardship Working Group bij de World Veterinary Association, WVA) organiseerden dit rondetafelgesprek in het kader van een KNMvD-verkenning. Doel van deze verkenning is om de wensen en belangen van deze verschillende soorten ondernemers in kaart te brengen. Dit moet het nieuwe KNMvD-bestuur in staat stellen om weloverwogen keuzes te maken voor de toekomst, zeker ook ten aanzien van de contributiestructuur.

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen