Eenmaal daags voeren van katten – effecten voor welzijn en gedrag van de kat

Tekst

  • Marilyn Bakker, kattenvoedingsdeskundige, eigenaar Catmoneo.
  • Dr. Esther Bouma, bioloog, kattengedragstherapeut Katsgewijs, lid van iCatCare Feline Wellbeing panel, mede-eigenaar van Purrdoctors.
  • Drs. Liesbeth Puts, psycholoog, kattengedragstherapeut Praktijk voor Kattengedrag.
  • Dr. Marsha Reijgwart, gedragsbioloog, kattengedragsdeskundige, lid van iCatCare Feline Wellbeing panel, mede-eigenaar van Purrdoctors.
  • Maggie Ruitenberg, kattengedragsdeskundige, docent kattengedrag, eigenaar Katten Kenniscentrum Nederland.
  • Leida Timmer, kattengedragstherapeut Katse Praktijken, auteur Katten Kenniscentrum Nederland.

In het oktobernummer van Tijdschrift voor Diergeneeskunde werd een recent onderzoek uit PLOS ONE beschreven waarin wordt gesteld dat katten die éénmaal per dag gevoerd worden een groter verzadigingsgevoel hebben, meer vet verbranden en meer aminozuren in het bloed hebben, dan katten die meerdere keren per dag te eten kregen. De conclusie was dat eenmaal daags voeren een goede optie is om katten slank te houden en de kwaliteit van leven van katten te vergroten.  Op basis van de resultaten van deze studie is deze conclusie echter niet te rechtvaardigen.

Het onderzoek bevat meerdere methodologische zwaktes en richt zich voornamelijk op fysiologische effecten en niet op gedragsmatige effecten van het voedingsregime. Een uitgebreide reactie, geschreven door leden van het iCatCare Feline Wellbeing Panel, met betrekking tot kritiek op de methodiek en de voordelen van het voeren van meerdere kleine porties over de dag dan wel nadelen van het voeren van één portie per dag, verscheen op 23 december in ‘Spotlight on Science’ op de website van iCatCare.

Methodologische zwaktes van de studie
De voerfrequentie voor de katten werd steeds na drie weken gewijzigd, dit is een zeer korte periode om daadwerkelijk verschillen in lichaamsgewicht en gedrag te detecteren. Een langere periode waarin de kat één of vier keer per dag gevoerd werd, had inzicht gegeven in het al dan niet duurzaam aanwezig zijn van effecten. De katten die één keer per dag te eten kregen, hadden in totaal tien minuten langer de tijd om te eten dan de katten die vier keer per dag te eten kregen. Daarnaast is niet vermeld of de katten onbeperkt mochten eten gedurende die tijd, of dat de voeropname door de onderzoekers beperkt werd tot een maximum. Daarnaast staat niet vermeld hoe de katten die vier keer per dag eten kregen, hun voeropname verdeelden over de dag. Het is mogelijk dat ze bijvoorbeeld om 8.00 uur de bulk aten en op de overige tijdstippen enkel een hapje, waarmee het onderscheid tussen de groepen katten geminimaliseerd wordt. Er vond ongelijke verstoring van de groepen plaats, katten die één keer per dag eten kregen, werden slechts één keer per dag naar een individuele kooi in een andere ruimte verplaatst, terwijl katten die vier keer per dag eten kregen, vier keer zo vaak gestoord werden. De conclusie dat katten die vier keer per dag eten kregen actiever waren, is daardoor onbetrouwbaar.

Voordelen van meerdere kleine porties voeren
Diverse studies hebben aangetoond dat (verwilderde) huiskatten, wanneer ze vrije toegang tot voedsel hebben, meerdere keren per dag kleine porties eten (Mugford 1977, Kanarek 1975, Durenkamp 2015, Parker et al. 2019, Ligout et al. 2020, Rogues et al. 2020). Door het dagelijks rantsoen van de kat op te delen in vijf tot zes porties en aan te bieden op een manier waardoor de kat voor zijn voer moet werken, wordt het natuurlijke jacht- en voedingspatroon van de kat het beste geëvenaard (Ellis et al. 2009). De voordelen van het voeren van kleine porties gedurende meerdere momenten op een dag zijn dan ook bevestigd in vele wetenschappelijke studies. Katten gaan meer drinken en produceren meer urine, aangezien katten hun wateropname associëren met hun voedingsopname (Finco et al. 1986). Daarnaast kunnen meerdere kleinere maaltijden bijdragen aan vermindering van struvietvorming doordat de urine-PH na een kleine maaltijd minder stijgt dan na één grote maaltijd. Om de urine-pH onder 6,5 te houden, zou de kat in een maaltijd niet meer dan 10,6 gram droge basis moeten eten (Finke en Litzenberger, 1992), wat neerkomt op 12 gram brokken of 50 gram natvoer. Ook de hoeveelheid glucose in het bloed stijgt minder na een kleine maaltijd en blijft over de dag stabieler (Appleton et al. 2004; Coradini et al. 2011; Farrow et al. 2013). Door te zorgen voor meerdere voermomenten per dag worden honger, overeten, frustratie (agressie) en verveling verminderd. Tot slot draagt het geven van voedsel bij aan een positieve relatie tussen eigenaar en kat (Geering 1986; Bateson en Turner 2000). De voertijd is een moment van communicatie met de kat (Kienzle en Bergler 2006) en een manier om de relatie in stand te houden (Levine et al. 2016).

Nadelen van eenmaal per dag voeren
De studie is uitgevoerd in een gecontroleerde laboratoriumsituatie, waarbij de katten individueel in aparte kooien werden gevoerd en er geen externe stressoren aanwezig waren. De effecten op de onderlinge relatie van de katten of problemen met het blokkeren van de toegang tot eten zijn niet meegenomen in de studie, terwijl dit in het echte leven juist grote risico’s met zich meebrengt. Honger en de daardoor ontstane frustratie kan tot gedragsproblemen leiden. Het gaat dan om verstoorde relaties met de andere kat(ten) in huis, sproeien in huis, bedelen, overmatig mauwen, stelen van voedsel, maar ook agressie naar katten, andere dieren en mensen, al dan niet tijdens de voermomenten (Sadek et al. 2018; Ligout et al. 2020). Het eenmaal per dag voeren kan agonistische reacties tussen katten in hetzelfde huishouden of naar mensen vermeerderen. Wanneer een kat beperkt gevoerd wordt in verband met bijvoorbeeld obesitas zal deze gedragsmatige reactie van de kat ervoor zorgen dat de eigenaar het regime niet kan volhouden.

Conclusie
Kwaliteit van leven gaat niet alleen over een gezond en slank lichaam, het gaat ook over geestelijk welzijn. De gepubliceerde studie presenteert interessante informatie met betrekking tot de fysiologische processen bij verschillende voerregimes. De resultaten van deze studie kunnen echter niet zonder meer worden toegepast op de situatie thuis en zeker niet voor oudere katten en/of katten met overgewicht. Voordat adviezen gegeven kunnen worden over de meest geschikte voerfrequentie, zal onderzocht moeten worden wat de effecten van de verschillende voerfrequenties zijn op de emotionele en gedragsmatige gezondheid van katten. Wij raden het dan ook af om op basis van deze studie eigenaren te adviseren katten eenmaal daags te voeren.

David Allaway, PhD, Senior Research Scientist in Nutrition & Metabolism: “De hogere postprandiale hormoonwaarden reflecteren de grotere geconsumeerde hoeveelheid maar dat toont niet aan dat er verzadiging is en dat de kat de rest van de dag niet meer zal eten wanneer er voedsel beschikbaar is. De hogere waarden van bepaalde postprandiale aminozuren betekenen niet dat er ‘meer’ aminozuren beschikbaar zijn. Het kan wel betekenen dat het opnamesysteem voor de aminozuren verzadigd is en dat de overschotten worden afgebroken. De hogere waarden zijn een consequentie van het eten van een grote hoeveelheid voedsel in een korte periode. Tot slot, wanneer de tijdsperiode tussen maaltijden lang is kan dit resulteren in een gevoel van honger en als gevolg daarvan kan de kat een grotere motivatie vertonen om voedsel te bemachtigen.”

Voorbeeld 1. Agressie naar mensen door onvoldoende controle en honger
Het verhaal van Aristos, een jonge straatkat gevangen in Athene. Toen hij in Nederland arriveerde was hij nog geen vijf maanden oud. Een aandoenlijke witte pluizenbol, die iedere maaltijd at alsof het zijn laatste was en alles naar binnen schrokte. Aristos kreeg daarom gedoseerd te eten en zijn eigenaar hield hetzelfde schema aan als voor haar hond, tweemaal daags. En toen ging het goed fout. Hij was pas drie dagen in huis toen hij de hond aanviel en twee dagen later beet hij ook, schijnbaar uit het niets, de twaalfjarige dochter dusdanig dat ze diepe verwondingen aan haar arm had. Professionele hulp werd ingeschakeld om na te gaan of er echt iets grondigs mis was met het koppie van deze jonge kater of dat het probleem lag in de leefomstandigheden. Toen Aristos voortaan zes kleine maaltijden verdeeld over de dag kreeg in een voerautomaat, werd de honger en daarmee de frustratie snel minder. Ook was het voermoment daarmee losgekoppeld van de eigenaar. Binnen een week was hij al een totaal andere kat. Nog steeds een pittige kat, maar geen aanvallen meer uit het niets, verdraagzamer naar de hond, speels en onderzoekend. Het is dan ook schrijnend te bedenken dat deze kat bijna een spuitje had gekregen alleen maar omdat hij honger had en hier niet goed mee om kon gaan.

Voorbeeld 2. Agressie tussen katten door dieet van één van de katten
Twee gecastreerde katers, respectievelijk 3,5 en 2,5 jaar oud. De katten hadden een hechte sociale band, die begin 2020 veranderde: het spelen eindigde steeds vaker in vechten. Uiteindelijk werden deze gevechten zo hevig dat de jongste kat regelmatig verwond raakte en soms zo in het nauw gedreven werd, dat hij urineerde uit angst. De oudste kater heeft overgewicht en is op een vrij streng dieet gezet. Uit de anamnese blijkt dat het ontstaan van het probleemgedrag samenvalt met het moment waarop de dikke kater op dieet is gezet, waardoor hij vrijwel constant gefrustreerd was. Dit had weer effect op het welzijn van beide katten. Om de frustratie aan te pakken is er, naast andere interventies, voor gekozen om weer meerdere voermomenten per dag in te voeren, voerpuzzels in te zetten en meer natvoer (met extra water) te geven. Om de kat extra beweging te geven, gooit  eigenaresse nu dagelijks een aantal brokjes stuk voor stuk door de gang in plaats van ze als een maaltijd in een voerpuzzel te geven.

Referenties

  • Allan, F. J., Pfeiffer, D. U., Jones, B. R., Esslemont, D. H. B., & Wiseman, M. S. (2000). A cross-sectional study of risk factors for obesity in cats in New Zealand. Preventive veterinary medicine, 46(3), 183-196.
  • Al Souti, S., Bailey, D., & Thomas, D. (2012). Real Time Monitoring of Cat Feeding Behaviour. In Electronics New Zealand Conference (ENZCon’12). Dunedin, New Zealand (pp. 163-168).
  • Appleton, D. J., Rand, J. S., Priest, J., Sunvold, G. D., & Vickers, J. R. (2004). Dietary carbohydrate source affects glucose concentrations, insulin secretion, and food intake in overweight cats. Nutrition Research, 24(6), 447-467.
  • Bartges, J. W. (2003). ENTERAL AND PARENTERAL NUTRITION. Handbook of Small Animal Gastroenterology, 416.
  • Bateson, P. P. G., & Turner, D. C. (Eds.). (2000). The domestic cat: the biology of its behaviour. Cambridge University Press.
  • Bradshaw, J. W., & Cook, S. E. (1996). Patterns of pet cat behaviour at feeding occasions. Applied Animal Behaviour Science, 47(1-2), 61-74.
  • Camara, A., Verbrugghe, A., Cargo-Froom, C., Hogan, K., DeVries, T. J., Sanchez, A., … & Shoveller, A. K. (2020). The daytime feeding frequency affects appetite-regulating hormones, amino acids, physical activity, and respiratory quotient, but not energy expenditure, in adult cats fed regimens for 21 days. Plos one, 15(9), e0238522.
  • Cave, N. J., Allan, F. J., Schokkenbroek, S. L., Metekohy, C. A. M., & Pfeiffer, D. U. (2012). A cross-sectional study to compare changes in the prevalence and risk factors for feline obesity between 1993 and 2007 in New Zealand. Preventive veterinary medicine, 107(1-2), 121-133.
  • Colliard, L., Paragon, B. M., Lemuet, B., Bénet, J. J., & Blanchard, G. (2009). Prevalence and risk factors of obesity in an urban population of healthy cats.
  • Coradini, M., Rand, J. S., Morton, J. M., & Rawlings, J. M. (2011). Effects of two commercially available feline diets on glucose and insulin concentrations, insulin sensitivity and energetic efficiency of weight gain. British journal of nutrition, 106(S1), S64-S77.
  • Delgado, M., & Dantas, L. M. (2020). Feeding Cats for Optimal Mental and Behavioral Well-Being. Veterinary Clinics: Small Animal Practice, 50(5), 939-953.
  • Deng, P., Iwazaki, E., Suchy, S. A., Pallotto, M. R., & Swanson, K. S. (2014). Effects of feeding frequency and dietary water content on voluntary physical activity in healthy adult cats. Journal of animal science, 92(3), 1271-1277.
  • de Godoy, M. R. C., Ochi, K., de Oliveira Mateus, L. F., de Justino, A. C. C., & Swanson, K. S. (2015). Feeding frequency, but not dietary water content, affects voluntary physical activity in young lean adult female cats. Journal of animal science, 93(5), 2597-2601.
  • Durenkamp, N. (2015). The effects of ad libitum feeding of low-or high-palatable feed on the physical activity, bodyweight and feeding patterns of domestic cats (Master’s thesis).
  • Ellis, S. L. (2009). Environmental enrichment: practical strategies for improving feline welfare. Journal of feline medicine and surgery, 11(11), 901-912.
  • Farrow, H. A., Rand, J. S., Morton, J. M., O’Leary, C. A., & Sunvold, G. D. (2013). Effect of dietary carbohydrate, fat, and protein on postprandial glycemia and energy intake in cats. Journal of Veterinary Internal Medicine, 27(5), 1121-1135.
  • Finco, D. R., Adams, D. D., Crowell, W. A., Stattelman, A. J., Brown, S. A., & Barsanti, J. A. (1986). Food and water intake and urine composition in cats: influence of continuous versus periodic feeding. American journal of veterinary research, 47(7), 1638-1642.
  • Finke, M. D., & Litzenberger, B. A. (1992). Effect of food intake on urine pH in cats. Journal of Small Animal Practice, 33(6), 261-265.
  • Geering, K. (1986). Der Einfluss der Fütterung auf die Katze-Mensch-Beziehung. Thesis, University Zürich-Irchel, Switzerland.
  • Gezici, M., & Eken, E. (2001). The effect of stomach volume on the colon topography in cats. Annals of Anatomy-Anatomischer Anzeiger, 183(2), 177-180.
  • Harper, E. J., Stack, D. M., Watson, T. D. G., & Moxham, G. (2001). Effects of feeding regimens on bodyweight, composition and condition score in cats following ovariohysterectomy. Journal of Small Animal Practice, 42(9), 433-438.
  • Kanarek, R. B. (1975). Availability and caloric density of the diet as determinants of meal patterns in cats. Physiology & Behavior, 15(5), 611-618.
  • Kane, E., Rogers, Q. R., & Morris, J. G. (1981). Feeding behavior of the cat fed laboratory and commercial diets. Nutrition Research, 1(5), 499-507.
  • Kane, E., Leung, P. M. B., Rogers, Q. R., & Morris, J. G. (1987). Diurnal feeding and drinking patterns of adult cats as affected by changes in the level of fat in the diet. Appetite, 9(2), 89-98.
  • Kaufman, L. W., Collier, G., Hill, W. L., & Collins, K. (1980). Meal cost and meal patterns in an uncaged domestic cat. Physiology & Behavior, 25(1), 135-137.
  • Kerr, K. R. (2013). Companion Animals Symposium: dietary management of feline lower urinary tract symptoms. Journal of animal science, 91(6), 2965-2975.
  • Kienzle, E., & Bergler, R. (2006). Human-animal relationship of owners of normal and overweight cats. The Journal of nutrition, 136(7), 1947S-1950S.
  • Kutt, A. S. (2012). Feral cat (F elis catus) prey size and selectivity in north‐eastern A ustralia: implications for mammal conservation. Journal of Zoology, 287(4), 292-300.
  • Levine, E. D., Erb, H. N., Schoenherr, B., & Houpt, K. A. (2016). Owner’s perception of changes in behaviors associated with dieting in fat cats. Journal of Veterinary Behavior, 11, 37-41.
  • Ligout, S., Si, X., Vlaeminck, H., & Lyn, S. (2020). Cats reorganise their feeding behaviours when moving from ad libitum to restricted feeding. Journal of Feline Medicine and Surgery, 1098612X19900387.
  • Martin, G. J. W., & Rand, J. S. (1999). Food intake and blood glucose in normal and diabetic cats fed ad libitum. Journal of feline medicine and surgery, 1(4), 241-251.
  • Mugford, R. A., & Thorne, C. (1980). Comparative studies of meal patterns in pet and laboratory dogs and cats In: Nutrition of the Dog and Cat (Anderson, RS, ed.).
  • Parker, M., Lamoureux, S., Challet, E., Deputte, B., Biourge, V., & Serra, J. (2019). Daily rhythms in food intake and locomotor activity in a colony of domestic cats. Animal Biotelemetry, 7(1), 25.
  • Peachey, S. E., & Harper, E. J. (2002). Aging does not influence feeding behavior in cats. The Journal of nutrition, 132(6), 1735S-1739S.
  • Robertson, I. D. (1999). The influence of diet and other factors on owner-perceived obesity in privately owned cats from metropolitan Perth, Western Australia. Preventive veterinary medicine, 40(2), 75-85.
  • Rogues, J., Mehinagic, E., Lethuillier, D., Bouvret, E., Hervera, M., & Lepoudere, A. (2020). Reduction of cat voluntary feed intake in the short-term response to the sugar cane fibre supplementation. Journal of Applied Animal Nutrition, 1-12.
  • Russell, K., Sabin, R., Holt, S., Bradley, R., & Harper, E. J. (2000). Influence of feeding regimen on body condition in the cat. Journal of Small Animal Practice, 41(1), 12-18.
  • Sadek, T., Hamper, B., Horwitz, D., Rodan, I., Rowe, E., & Sundahl, E. (2018). Feline feeding programs: Addressing behavioural needs to improve feline health and wellbeing. Journal of feline medicine and surgery, 20(11), 1049-1055.
  • Taton, G. F., Hamar, D. W., & Lewis, L. D. (1984). Evaluation of ammonium chloride as a urinary acidifier in the cat. Journal of the American Veterinary Medical Association, 184(4), 433.
  • Thorne, C. J. (1982). Feeding behaviour in the cat—recent advances. Journal of small animal practice, 23(9), 555-562.

 

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen