Gedragstherapie en training bij dieren

Inleiding
Van onze dieren wordt verwacht dat ze zich aan kunnen passen aan de huidige drukke samenleving en grote bevolkingsdichtheid. Hierbij zien we steeds vaker dat dieren hun natuurlijke gedragingen niet kunnen uiten en dat er gedragsproblemen ontstaan bij dieren. Ook erfelijke aanleg, chronische stress bij het moederdier, een gebrekkige socialisatie, trauma en andere factoren kunnen een rol spelen in het ontwikkelen van gedragsproblemen. Deze gedragsproblemen lopen uiteen van onzindelijkheid tot angst en agressie. Gedragsproblemen kunnen duiden op een aantasting van het welzijn van de dieren. Ook voor de eigenaren kan het omgaan hiermee een zware en soms emotionele belasting geven.

Aangezien gedragstherapie zelf leidt tot veel discussie en indien inadequaat toegepast tot een toename van gedragsproblemen en fysieke klachten kan leiden, heeft de Commissie Veterinaire Gedragsgeneeskunde van de KNMvD een advies opgesteld over gedragstherapie en training bij dieren.

Gedragstherapie en diertraining
Wanneer er gedragsproblemen aanwezig zijn bij een dier, kan een eigenaar hiermee terecht bij een gediplomeerd gedragstherapeut voor dieren, dierenarts of veterinaire gedragsspecialist. Opvoedingsproblemen kunnen vaak in samenwerking met een diertrainer of gediplomeerde gedragstherapeut opgelost worden. In Nederland zijn diertrainer en gedragstherapeut voor dieren geen beschermde titels. Wel bestaan er voor beide functies door de beroepsverenigingen geaccrediteerde opleidingen en nascholingen. Gedragstherapeuten die voldoen aan de door de beroepsverengingen gestelde eisen, kunnen door hen geaccrediteerd worden en op deze manier een bewijs van hun kennis en kunde aantonen.

Advies: Voor het volgen van een opvoedingscursus met de hond is het advies deze te volgen bij een gekwalificeerd kynologisch instructeur.

Advies: Gedragstherapie dient gevolgd te worden bij gediplomeerde en door een beroepsvereniging geaccrediteerde gedragstherapeuten.

Trainingsmethoden
Er bestaan verschillende trainingsmethoden. Bij de meeste trainingsmethoden wordt gebruik gemaakt van operante en/of klassieke (of respondente) conditionering. Het is echter niet zo dat een specifieke manier van positieve bekrachtiging het beste is voor ieder dier. Daarnaast is de leerstijl van eigenaren en datgene wat een dier motiveert verschillend per individu.

Voor alle trainingsmethoden geldt dat deze correct uitgevoerd moeten worden om effectief te zijn en geen schade aan het dier te berokkenen.

Operante conditionering
Bij operante (of instrumentele) conditionering leert het dier van de gevolgen die zijn of haar gedrag heeft. Operante conditionering is te verdelen in vier onderdelen: positieve en negatieve bekrachtiging en positieve en negatieve straf.

Er zijn twee manieren waarop gedrag bekrachtigd oftewel versterkt kan worden, zodat de kans dat het gedrag in de toekomst opnieuw wordt uitgevoerd toeneemt. Deze noemen we positieve bekrachtiging en negatieve bekrachtiging.

1. Positieve bekrachtiging: hierbij wordt het (gewenste) gedrag bekrachtigd door een prikkel toe te voegen tijdens of direct na het uitvoeren van het gedrag. Het dier wordt beloond voor zijn acties met bijvoorbeeld voer, spel of aandacht, om het gedrag in de toekomst aan te moedigen. Bij deze trainingsmethode wordt er iets toegevoegd (daarom heet het positief). Het is echter niet zo dat een specifieke manier van positieve bekrachtiging het beste is voor ieder dier. Ook moet de bekrachtiger belonend zijn voor het individuele dier. Zo is bij de ene hond iets lekkers geven of aaien zeer belonend, terwijl een ander dier veel meer gemotiveerd is om te werken voor het spelen met een bal.
2. Negatieve bekrachtiging: Indien er voornamelijk gebruik gemaakt wordt van positieve bekrachtiging, kan negatieve bekrachtiging een aanvulling zijn op de trainingsmethoden. Bij negatieve bekrachtiging wordt het (gewenste) gedrag bekrachtigd door een prikkel weg te halen bij het uitvoeren van het gewenste gedrag. Bij deze trainingsmethode wordt er iets weggehaald (daarom heet het negatief), bijvoorbeeld spanning op de lijn bij een hond. Het uitgevoerde gedrag wordt bij deze leermethode bekrachtigd wanneer de prikkel (in het voorbeeld druk of spanning op de lijn) weggelaten wordt. Op het moment dat het dier meeloopt of ontspant kan ook positieve bekrachtiging gebruikt worden, bijvoorbeeld door het gewenste gedrag direct te bekrachtigen met de stem of brokjes.

Er zijn twee manieren waarop gedrag gecorrigeerd kan worden, zodat de kans dat het gedrag opnieuw uitgevoerd wordt in de toekomst afneemt. Deze noemen we positieve straf en negatieve straf.

1. Positieve straf: hierbij wordt (ongewenst) gedrag gecorrigeerd, door een voor het dier onaangename prikkel toe te dienen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan hard gillen/schreeuwen tegen een dier of fysieke correcties, zoals slaan, schoppen, dreigen of intimideren van het dier. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat het gebruik van positieve straf in de vorm van fysieke straffen risico’s met zich meebrengt, zoals een remmende invloed op het leervermogen, toename van angst en/of het stimuleren van uitingen van agressie. 1, 2, 3 Onderzoek specifiek naar het gebruik van stroombanden toont aan dat het gebruik hiervan bij honden het welzijn aantast. 3, 4

Advies: Naast de bij wet verboden middelen (zoals stroom- en prikbanden), dient het gebruik van slipkettingen en alle andere manieren van fysieke straf vermeden te worden. Ook wordt het volgen van gedragstherapie bij gedragstherapeuten die het gebruik van positieve straf inzetten en adviseren afgeraden. Er bestaan diervriendelijkere methoden om honden gewenst gedrag aan te leren.

2. Negatieve straf: hierbij wordt (ongewenst) gedrag gecorrigeerd, door het weghalen van een voor het dier aangename prikkel of beloning. Denk daarbij aan fysiek contact, aandacht in de vorm van oogcontact, aaien of een aardige stem. Wanneer bijvoorbeeld een hond ongewenst tegen iemand opspringt, kan diegene zijn gezicht wegdraaien en totaal geen aandacht aan de hond geven. De hond krijgt niet meer de gewenste aandacht. Indien correct en consequent uitgevoerd, zal het aandacht vragende gedrag van de hond afnemen. Bij het gebruik van negatieve straf, dient deze zodra het dier gewenst gedrag uitvoert, gevolgd te worden door positieve bekrachtiging voor het gewenste gedrag. In het voorbeeld van de opspringende hond, kan de hond bijvoorbeeld beloont worden met een zachte vriendelijke stem, zodra deze ophoudt met opspringen.

Klassieke conditionering
Bij klassieke conditionering wordt er een verband gelegd tussen een geconditioneerde prikkel en een ongeconditioneerde prikkel. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanleren van een klikker, waarbij het dier een verband leert leggen tussen het voorheen niks betekenende geluid van de klikker (geconditioneerde prikkel) en bijvoorbeeld voedsel (ongeconditioneerde prikkel).

Advies: Trainingen waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van positieve bekrachtiging en eventueel klassieke conditionering verdienen de voorkeur.

Opleiding, nascholing en beroepsverenigingen voor trainers en gedragstherapeuten voor dieren

Het is belangrijk voor dierenartsen en diereigenaren dat er duidelijkheid is over de kennis en kunde van trainers en gedragstherapeuten voor dieren. Eigenaren dienen makkelijk inzicht te hebben in het al dan niet gekwalificeerd zijn als zodanig van een trainer of gedragstherapeut voor dieren. Ook is het van belang dat eigenaren makkelijk inzicht kunnen krijgen of een trainer of gedragstherapeut voor dieren bekend is met de huidige inzichten op het gebied van diergedrag en deze toepast in zijn of haar werkwijze.

Bij het adviseren van cliënten in de keuze van een trainer of gedragstherapeut voor dieren is het van belang dat dierenartsen zich realiseren dat dit geen beschermde titels zijn in Nederland. Wel bestaan er voor beide functies door de beroepsverenigingen geaccrediteerde opleidingen en nascholingen.

Voor het behoud van een benoeming als “kynologisch instructeur” of “gediplomeerd gedragstherapeut” dient de betreffende persoon aan een aantal voorwaarden te voldoen. Afhankelijk van de beroepsinstantie waarbij hij/zij is aangesloten, zijn dit onder andere:
• De trainer of gedragstherapeut voor dieren dient een minimum aantal lesuren/casuïstieken per jaar te behandelen.
• Er dient jaarlijks op de diersoort en werkzaamheden gerichte nascholing gevolgd te worden.
• De gedragstherapeut voor dieren houdt de wetenschappelijke literatuur bij en levert jaarlijks een samenvatting/bespreking in van relevant wetenschappelijk onderzoek/publicatie bij de beroepsvereniging.
• De gedragstherapeut voor dieren neemt een zorgvuldige en uitgebreide gedragsanamnese af, stelt vragen over de omgeving en routines van het dier en stuurt naderhand een schriftelijk verslag naar de cliënt en indien deze verwezen en akkoord is naar de verwijzend dierenarts. 5

Hondentraining
Naast het controleren of een trainer gekwalificeerd is, zijn er nog een aantal punten waarop dierenartsen eigenaren kunnen adviseren te letten bij de keuze voor een trainer.

Groepslessen of privélessen
Groepslessen voor honden zijn zeer populair, vaak leuk voor de honden en meestal goedkoper dan privélessen. Máár let op, ze horen wel heel goed geregeld te worden!

Groepsgrootte en persoonlijke aandacht
Om voldoende aandacht aan de deelnemers te kunnen geven en zicht te hebben op het gedrag van zowel dier als eigenaar, dient er een maximaal aantal deelnemers per les te zijn. Voor hondentraining is de groepsgrootte bij voorkeur maximaal 4-6 honden. Er dient voldoende persoonlijke ruimte te zijn om te trainen, zonder dat de hond en eigenaar hierbij belemmerd worden door mede-cursisten. Hoe groot deze persoonlijke ruimte is, is afhankelijk van het individu. Tevens dient de trainer persoonlijke aandacht aan de cursisten en honden te kunnen geven of hiervoor geschikte assistentie beschikbaar te hebben. Indien de mogelijkheid wordt aangeboden voor “vrij spelen” tijdens de training, dan dient dit onder supervisie van de trainer plaats te vinden. Hierbij wordt in kleine overzichtelijke groepjes gespeeld gedurende een korte periode. De trainer voorkomt dat er een te hoge mate van opwinding ontstaat bij de dieren en dat deze ongewenst gedrag of angst kunnen ontwikkelen.

Diergezondheid en vaccinaties
Bij diertrainingen in groepen dient de instructeur zich ervan te verzekeren dat de deelnemende dieren zo goed mogelijk beschermd worden tegen besmettelijke aandoeningen. Voor deelname aan de trainingen dienen daarom eisen aan de vaccinatiestatus van het dier gesteld te worden. Hiervoor kan bij volwassen dieren voor bepaalde aandoeningen een positieve titerbepaling ook geaccepteerd worden. De dierenarts van het deelnemende dier zou akkoord moeten zijn met de eisen die de trainer aan de vaccinatiestatus stelt. De instructeur dient eigenaren af te raden om met zieke dieren naar de training te komen. Dit geldt zowel voor besmettelijke aandoeningen als aandoeningen waardoor het dier pijn of ongemak ervaart. In dit laatste geval kan de instructeur de training ook specifiek voor dit individu aanpassen.

Meekijken bij een les
Adviseer een eigenaar vooraf een keer mee te kijken met een les, zonder de eigen hond mee te nemen. Iedere eigenaar/cursist heeft een eigen leerstijl, door een les mee te kijken wordt zichtbaar of de lesmethode van de instructeur past bij de eigenaar. Bij het meekijken met een les kan bekeken worden of zowel de dieren als de eigenaren zich op hun gemak lijken te voelen en plezier hebben in de les. Bij de honden kan er bijvoorbeeld gekeken worden of ze niet met hun staart laag of tussen de achterpoten staan of aan de kant gezet worden vanwege druk of agressief gedrag. Ook kan er gekeken worden naar de manier waarop de instructeur en de eigenaren communiceren met hun dier. Praten ze met een harde of boze stem? Dat is niet wenselijk en niet nodig. Een harde stem is enkel nodig bij dieren die niet goed kunnen horen. Bij slechthorende dieren kan ook overwogen worden om visuele signalen te gebruiken in plaats van verbale signalen.

Eigen gevoel
Het is belangrijk dat een eigenaar geen dingen hoeft te doen die tegen zijn of haar eigen gevoel in gaan. Wanneer de trainer of gedragstherapeut iets vraagt, waarvan u of een eigenaar vreest dat dit ongemak zal veroorzaken bij de eigenaar of het dier of zelfs schade zou kunnen berokkenen, vraag de trainer of gedragstherapeut dan om uitleg bij de trainingsmethode, wat mogelijke bijwerkingen hiervan kunnen zijn en hoe daarmee om gegaan wordt. Het is ook altijd mogelijk te vragen om een alternatieve trainingsmethode.

Nota bene: Vanwege de variabiliteit in diergedrag en de soms onvoorspelbare aard hiervan, is het voor een gewetensvol trainer of gedragstherapeut niet mogelijk garanties te geven over het resultaat van de training. Zowel diertrainers als diergedragstherapeuten dienen er tot op zekere hoogte wel voor te zorgen dat de eigenaar tevreden is over hun dienst.

Rol van de dierenarts bij gedragsproblemen

Verwijzing
Indien er sprake is van gedragsproblemen, zoals pathologische angst, bijten, vechten, vernielzucht etc. dient een trainer de eigenaar te verwijzen naar de dierenarts en/of gediplomeerd gedragstherapeut of naar een veterinaire gedragsspecialist. Een veterinaire gedragsspecialist is een dierenarts die gespecialiseerd is in het diagnosticeren, behandelen en voorkomen van pathologisch gedrag bij dieren. Voor veterinaire gedragsspecialisten gelden specifieke eisen, voor meer informatie hierover kunt u terecht op http://www.ecawbm.com. Ook kunt u op deze website vinden of een specialist een ‘active diplomate status’ heeft in behavioural medicine (companion animals). Sommige veterinaire gedragsspecialisten accepteren ook verwijzingen van gediplomeerde gedragstherapeuten, mits het dier verwezen wordt met een patiëntendossier van de eigen dierenarts van het dier.

Wanneer een dier met gedragsproblemen de dierenarts bezoekt, is het de taak van de dierenarts om gedragsproblemen indien mogelijk vroegtijdig te diagnosticeren en deze inzichtelijk te maken voor de eigenaar. Dit geldt ook voor gedragsproblemen die de eigenaar (nog) niet als zodanig heeft ervaren. Indien doorverwijzing van patiënten naar een trainer, gedragstherapeut voor dieren of veterinaire gedragsspecialist gewenst is, dan is het een taak van de dierenarts om hierbij goede begeleiding te geven.

Medische oorzaak
Soms hebben gedragsproblemen onderliggende medische oorzaken of zijn gedragingen te wijten aan een stoornis in de hersenen. In dat laatste geval spreken we van ziekelijk gedrag, ook wel pathologisch gedrag genoemd. Dit kan het geval zijn wanneer een dier niet meer in staat is om zich aan te passen aan zijn omgeving vanwege zijn gedrag. Bijvoorbeeld omdat hij overmatig bang is wanneer hij alleen thuis gelaten wordt, niet kan gaan wandelen zonder te schrikken van alles wat hij hoort of ziet of andere dieren/mensen aanvalt etc. Dieren kunnen geboren worden met een genetische aanleg om dit gedrag te gaan ontwikkelen en soms zien we dieren van nog geen 8 weken oud die al pathologisch gedrag vertonen! Wanneer er sprake is van pathologisch gedrag dient een dier hiervoor gezien en behandeld te worden door een dierenarts met kennis van gedrag, gedragsproblemen en gedragsmedicatie. De dierenarts kan daarvoor indien nodig naar een veterinaire gedragsspecialist verwijzen.

Psychofarmaca
Medicatie dient niet door een diertrainer of gedragstherapeut voorgeschreven te worden, tenzij deze tevens dierenarts is. Enkel een dierenarts kan het nut en de risico’s van het gebruik van medicatie bij dieren ten volle inschatten.

Professionele houding van trainer, gediplomeerde gedragstherapeut en veterinaire gedragsspecialist

Communicatieve eigenschappen
Een goede docent is in staat uitleg te geven over het gedrag dat getraind wordt; o.a. het doel van het gedrag. Ook dient de trainer, gedragstherapeut of veterinaire gedragsspecialist de oefening te kunnen demonstreren. De trainer, gedragstherapeut of veterinaire gedragsspecialist communiceert op een manier die begrijpelijk is. De trainer, gedragstherapeut of veterinaire gedragsspecialist is flexibel in het aanpassen van de trainingsmethoden op een individu.

Respect voor mens en dier
De dierenprofessional is in zijn handelen en communicatie respectvol naar zowel mens als dier. Vermijd trainers, of gedragstherapeuten die adviseren gebruik te maken van fysieke dwang bij het dier (o.a. Alpha-rol, het in een houding duwen van een dier, slaan, schoppen, slipkettingen, prikbanden en stroombanden), intimidatie, dreigen of andere methodes/hulpmiddelen gebruiken die een dier fysiek of geestelijk schade berokkenen. Vermijd ook professionelen die de cursist/eigenaar een gevoel van onbegrip geven of anderszins onjuist bejegenen.

Wettelijke kaders

Vijf vrijheden
Bij het houden van en omgaan met dieren is men volgens de Wet dieren, artikel 1.3, wettelijk verplicht zorg te dragen dat minimaal aan de vijf vrijheden wordt voldaan:
Een dier hoort vrij te zijn van:
• Dorst, honger en onjuiste voeding
• Fysiek en fysiologisch ongerief
• Pijn, verwonding en ziektes
• Angst en chronische stress
• Beperking van hun natuurlijke gedrag 6
Daar uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat het gebruik van fysieke straffen toename van angst met zich meebrengt en voor fysiek ongerief of verwondingen zorgt1, 2, is het volgens de vijf vrijheden niet toegestaan fysieke straffen of andere therapieën die angst veroorzaken toe te passen bij dieren.

Nieuwe regelgeving
Per 1 juli 2018 is het gebruik van een voorwerp met scherpe uitsteeksels waarmee het dier pijn toegebracht kan worden, bijvoorbeeld een prikband, verboden in Nederland. 7 Ook zal het gebruik van apparatuur waarmee het dier door middel van stroomstoten, elektromagnetische signalen of straling pijn kan worden toegebracht worden verboden per 1 juli 2020. 8 De minister van LNV neemt hiermee de internationale aanbevelingen over zoals bijvoorbeeld ook vastgelegd in het Electronic training devices position statement van de European Society of Veterinary Clinical Ethology.

Disclaimer
De informatie in dit document is gebaseerd op de meest recente inzichten in het vakgebied. Desalniettemin moeten bij toepassing ervan de resultaten te allen tijde kritisch worden beschouwd. Vanwege de variabiliteit in diergedrag en de soms onvoorspelbare aard hiervan is het voor een gewetensvol trainer of gedragstherapeut niet mogelijk garanties te geven over het resultaat van de training. Zowel diertrainers als diergedragstherapeuten, dierenartsen en veterinaire gedragsspecialisten dienen er tot op zekere hoogte wel voor te zorgen dat de eigenaar tevreden is over hun dienst. De auteurs en de KNMvD kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade die ontstaat door toepassing van het gedachtegoed uit dit document.

Bronnen

1. Hutchinson RR. 1977. By-products of aversive control. Honig WK, Staddon JER, eds. Handbook of Operant Behavior. Englewood Cliffs, NJ: Prentice-Hall: 415-431.
2. Azrin NH. 1960. Effects of punishment intensity during variable-interval reinforcement. Journal of the Experimental Analysis of Behavior 3: 123-142.3.
3. Schilder MBH en van der Borg JAM. 2003. Training dogs with help of the shock collar: short and long term behavioural effects. Applied Animal Behaviour Science 85: 319–334.
4. Masson S et al. 2018. Electronic training devices: discussion on the pros and cons of their use in dogs as a basis for the position statement of the European Society of Veterinary Clinical Ethology (ESVCE),.Journal of Veterinary Behavior 25: 71-75.
5. http://www.sppd.nl/voorwaarden-gedragstherapeuten-en-specialist-gedrag-gezelschapsdieren.html
6. http://wetten.overheid.nl/BWBR0030250/2015-02-01
7. Artikel 1.3 lid g: https://wetten.overheid.nl/BWBR0035217/2018-07-01
8. https://www.rijksoverheid.nl/regering/bewindspersonen/carola-schouten/documenten/kamerstukken/2019/04/04/kamerbrief-over-de-stand-van-zaken-toestaan-gebruik-stroomband

Aanbevolen literatuur:
1. AVSAB Position Statement The Use of Punishment for Behavior Modification in Animals American Veterinary Society of Animal Behavior www.AVSABonline.org
2. https://www.flvetbehavior.com/uploads/7/7/3/4/77348517/esvce-position-statement-e-collar.pdf

Van onze dieren wordt verwacht dat ze zich aan kunnen passen aan de huidige drukke samenleving en grote bevolkingsdichtheid. Hierbij zien we steeds vaker dat dieren hun natuurlijke gedragingen niet kunnen uiten en dat er gedragsproblemen ontstaan bij dieren. Ook erfelijke aanleg, chronische stress bij het moederdier, een gebrekkige socialisatie, trauma en andere factoren kunnen een rol spelen in het ontwikkelen van gedragsproblemen. Deze gedragsproblemen lopen uiteen van onzindelijkheid tot angst en agressie. Gedragsproblemen kunnen duiden op een aantasting van het welzijn van de dieren. Ook voor de eigenaren kan het omgaan hiermee een zware en soms emotionele belasting geven.

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen