“Ik stel het belang van het dier voorop…”

Half maart 2019 studeert de eerste lichting dierenartsen af die de veterinaire eed of belofte voor de dierenarts aflegt. Met het afleggen van de eed wordt een bijzonder moment gemarkeerd, namelijk de toetreding tot de beroepsgroep. Het is een ogenblik van reflectie, een vertrekpunt voor gewetensvol professioneel handelen. Het gezamenlijk uitspreken van de leidende principes in het veterinaire handelen moet uitgroeien tot een krachtig ritueel dat de jonge dierenarts bewust maakt van zijn of haar brede professionele verantwoordelijkheid.

Een eed onderscheidt zich van een belofte door de eerste en de laatste zin. De eed begint met “Ik zweer” en eindigt met “zo waarlijk helpe mij God almachtig”. De belofte begint met “ik beloof” en eindigt met “dat beloof ik”. Bij sommige professies is het tevens toegestaan de eed te zweren op Allah.

“Waar is dat voor nodig?”, zou een eerste gedachte kunnen zijn. Veterinaire verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn immers wettelijk vastgelegd. En nadere gedragsregels worden onder andere gesteld in de Code voor de Dierenarts van de KNMvD. Professioneel handelen wordt verder bevorderd door kwaliteitsrichtlijnen en collectieve standpunten. Al met al kader genoeg zou je zeggen. Maar zo simpel is het niet. Want de brede maatschappelijke verantwoordelijkheid van de dierenarts laat zich niet vatten in rationele of juridische bewoordingen. De opleiding biedt wetenschappelijk onderbouwde kennis en praktische vaardigheden, maar deze moeten met wijsheid worden toegepast in complexe situaties. De belangen van mens en dier liggen vaak in elkaars verlengde, maar staan soms ronduit haaks op elkaar. Ethische dilemma’s zijn dagelijkse kost. Van de dierenarts wordt gevraagd een afweging te maken. ‘Rücksichtslos’ de kant van het dier kiezen schaadt in bepaalde gevallen de mens en andersom.

Maatschappelijke uitdagingen

Vice-decaan Onderwijs van de faculteit Diergeneeskunde, Wim Kremer, benadrukt dat de dierenarts de beschikking krijgt over complexe bevoegdheden om die brede verantwoordelijkheid te kunnen dragen. “Uiteraard is een eed niet het enige middel om dit uit te drukken. Je moet het meer zien als een referentiepunt; het morele vertrekpunt van je loopbaan.” Hij vindt het afleggen van de eed niet beslist noodzakelijk. “Een goede vriend van mij is niet getrouwd, maar houdt evenveel van zijn lief als ik van mijn vrouw.” Het is dan ook niet verplicht. “Mensen verschillen van opvattingen hierover en die ruimte is er ook.” Sterker nog, veel ruimte ligt besloten in de eed zelf. “We leiden mensen op die nadenken over grote maatschappelijke uitdagingen. Het gaat erom dat ze zich kunnen ontplooien tot zelfbewuste professionals die staan voor hun waarden en principes.” Kremer legt uit dat de eed daarom bewust ‘open’ is geformuleerd. “Wat mij betreft is de alinea over nascholing heel belangrijk. Een dierenarts moet blijven schaven aan zijn of haar kennis en kunde om de diergeneeskunde te bevorderen. Vandaar ook de passage over openheid en toetsbaarheid.” Een jonge dierenarts hoeft dus niet te beloven dat er nooit iets mis zal gaan; alleen dat hij probeert hiervan te leren en het steeds beter te doen. “En dat bereik je door telkens weer die professionele discussie aan te gaan. Het gaat er uiteindelijk om wie je bent als mens,” besluit Kremer.

Brug naar de Code

Joost van Herten, dierenarts en beleidsmedewerker bij de KNMvD, legt uit waarom er ook bij de beroepsvereniging animo was voor een eed. “We willen graag dat de studenten goed worden voorbereid op hun maatschappelijke rol, aanvullend op hun technische kennis. De eed helpt daarbij.” Hij ziet de eed als een brug tussen de opleiding en de beroepsgroep. En wat hem betreft horen de eed en de Code voor de Dierenarts onlosmakelijk bij elkaar. “De Code is een stuk concreter en biedt steun bij de invulling van je verantwoordelijkheid. Hij wordt ook om de zoveel tijd tegen het licht gehouden omdat de verwachtingen van de samenleving veranderen.” KNMvD-leden kunnen elkaar aanspreken op de gedragsregels die in de Code zijn vastgelegd. En bij geschillen kan de Ereraad een uitspraak doen. Maar eigenlijk zouden de gedragsregels voor alle dierenartsen moeten gelden. De wetgever kán dergelijke ‘richtlijnen voor goede praktijk’ bindend verklaren. De introductie van de eed is een aanzet om hier als beroepsgroep over na te denken. Van Herten legt uit dat de Europese dierenartsenorganisatie FVE ook een Code of Conduct heeft opgesteld – die overigens sterkt lijkt op de Nederlandse – en dat zowel de KNMvD als het Collectief Praktiserende Dierenartsen (CPD) zich hieraan committeren. “Daarmee deelt in elk geval het overgrote deel van de dierenartsen een gemeenschappelijke set normen en waarden.”

Intrinsieke waarde

De veterinaire eed of belofte onderscheidt zich op belangrijke punten van de eed die door de artsen wordt afgelegd, bekend onder de (overigens verouderde) naam: Eed van Hippocrates. Een dierenarts belooft: “Ik zweer/beloof dat ik de diergeneeskunde zal uitoefenen ten dienste van het dier, mijn medemens en de samenleving.” En: “Ik stel het belang van het dier voorop en houd daarbij rekening met de opvattingen van de mens die de verantwoordelijkheid voor het dier heeft, waarbij ik de patiënt geen nodeloze schade aan zal doen.” De artseneed (geactualiseerd in 2003) laat artsen beloven de geneeskunde te beoefenen ten dienste van de medemens. De beginselen zijn: niet schaden, rechtvaardig handelen en de autonomie respecteren. Deze principes zijn uiteraard ook belangrijk voor de dierenarts, maar het respect voor de autonomie moet toch anders gelezen worden. Het gaat daarbij om respect voor de intrinsieke waarde van het dier, zonder daarbij de opvattingen van zijn eigenaar of houder uit het oog te verliezen. En soms zijn er zelfs uiteenlopende belangen van verschillende (groepen) mensen in het spel, bijvoorbeeld bij het beschermen van de volksgezondheid, de ontwikkeling van geneesmiddelen of de bestrijding van dierziekten.

Professioneel ongemak

“De rol van de dierenarts is zo complex, omdát je met dieren te maken hebt,” legt Franck Meijboom uit. Hij is universitair hoofddocent ethiek aan de faculteit Diergeneeskunde en voorzitter van de commissie die de tekst van de eed heeft opgesteld. “Een fietsenmaker kan een discussie met een klant gemakkelijk afkappen met: doe het zelf maar. Maar een dierenarts mag dat niet – hij is de enige met de bevoegdheden om een dier te behandelen of soms zelfs te doden. Dat schept een grote verantwoordelijkheid.” In de praktijk zie je dan ook dat dierenartsen erg ver gaan in het oplossen van de problemen van de eigenaar of veehouder. En soms is het heel erg moeilijk om grenzen te stellen aan de vermenselijking van het dier. De eigenaar oefent hierop ook veel invloed uit via de portemonnee. Meijboom erkent dat er vrijwel altijd sprake is van druk of spanning: “Een dierenarts wordt steeds meer bevraagd. En hij krijgt van de wetgever heel veel professionele vrijheid. Dat kan heel ingewikkeld zijn.” Hij ziet de eed als een ijkpunt of anker. “Het is een redelijk vertrekpunt voor een goed gesprek over je doen en laten. Met de klant, met elkaar en met andere professionals in het krachtenveld.” Wat hem betreft bieden de principes die in de eed besloten liggen, vooral houvast in het functioneren en het omgaan met maatschappelijke verwachtingen. “De eed is geen zwaard van Damocles, maar een steun bij het uithouden van professioneel ongemak.”

Krachtig ritueel

Hoewel het formeel geen enkele consequentie heeft als je de eed niet aflegt, kan het afleggen ervan in de loop der tijd uitgroeien tot een krachtig ritueel. Mogelijk zeggen studenten in de toekomst: “volgende maand word ik beëdigd als dierenarts” in plaats van “over vier weken studeer ik af.” En zo gaat het langzamerhand wat voorstellen. Het afleggen van een eed kan namelijk gezien worden als een ‘rite de passage’. Zo’n ritueel markeert in alle culturen een verandering in sociale status. Het verbindt een individu aan de gemeenschap door de gezamenlijke uitvoering. Het biedt steun bij het dragen van de nieuwe verantwoordelijkheid, doordat het normen en waarden versterkt. Er gaan beproevingen aan vooraf – zoals examens die in eenzaamheid moeten worden afgelegd – en een ‘status aparte’ waarin de kandidaten worden voorbereid op de (re)integratie in de gemeenschap. Hoewel bij het afleggen van de eed de toetreding tot de beroepsgroep in het oog springt, betekent het dus ook het einde van het studentenleven. Deze periode mag beslist niet als zorgeloos worden bestempeld, maar het is wel een tijd van grenzeloze nieuwsgierigheid naar de kennis van goed en kwaad. Met het afstuderen wordt de jonge dierenarts bekleed met de bevoegdheid hierover te oordelen. Met de eed wordt uitgedrukt: je hoort erbij en we zullen je helpen om je verantwoordelijkheid te dragen.

Regenboog aan dierenartsen

Nikki Weenink studeert af in maart 2019 – richting paard – en hoort bij de eerste groep die wordt uitgenodigd de eed of belofte af te leggen. Ze was aanvankelijk kritisch en schuwt nog steeds de discussie niet. “Dierenartsen zijn zó divers! Van uitgesproken veganistisch tot overtuigd carnivoor, weerspiegeld in een brede waaier aan professionele opvattingen.” Weenink vroeg zich in alle ernst af of deze regenboog aan dierenartsen zich zou kunnen vinden in slechts één belofte. “Maar ik kan me eigenlijk goed vinden in de tekst,” knikt ze. “Ik vind het wel mooi dat de gezichten even allemaal dezelfde kant op staan bij het afstuderen en dat we dit ook echt uitspreken.” Ze denkt dat het ritueel verbroederend zal werken. “Misschien komen we verderop in onze loopbaan wel tegenover elkaar te staan, dan kan je teruggrijpen op je collectieve verantwoordelijkheid.” Ze vindt niettemin dat zo’n eed geen doel op zich moet worden; het is een middel. “Ik vind wat er staat ook wel vanzelfsprekend.” Vriendinnen van Weenink zijn zelfs enigszins opgelucht dat zij dat ‘nog niet hoefden’. “Het moet geen poppenkast worden,” aldus de nuchtere Weenink. “Uiteindelijk moet je het
toch hebben van je eigen passie voor het vak.”

Tekst Sophie Deleu foto Shutterstock , Beatriz Vera, 4 PM production

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.