IPM, een duurzame aanpak van vogelmijt bij legpluimvee

Vogelmijt (Dermanyssus gallinae) is een veel voorkomende ectoparasiet bij pluimvee. De bloedafname door de vogelmijt bij de leghen leidt tot een verminderde welzijn en gezondheid van het dier, een lagere eiproductie en eikwaliteit. Vooral bij leghennen kan een vogelmijtplaag een zeer hardnekkig probleem zijn, omdat de hennen een lange productieduur hebben en de bestrijdingsmogelijkheden tijdens de legronde beperkt zijn. Dit artikel beschrijft de ‘Integrated Pest Management’ (IPM)-methode om vogelmijt te bestrijden.

Met slechts enkele toegelaten middelen om een vogelmijtplaag aan te pakken, is het belangrijk om beperkte effectiviteit en resistentievorming van de vogelmijt tegen die middelen zo lang mogelijk uit te stellen. Daarom is het belangrijk spaarzaam en gericht om te gaan met middelen.
In de tuinbouw heeft men te maken met dezelfde problematiek: plagen waartegen maar enkele middelen beschikbaar zijn en waartegen de plaag snel resistentie vormt. Net als in de legpluimveehouderij wil men in de tuinbouw geen residuen terugvinden in de producten. Sinds enkele tientallen jaren beheersen de tuinders plagen met behulp van de IPM-methode. Dit is een methode, die op een verantwoorde, systematische manier structuur brengt in het beheersen van plagen en ziekten. Voor een effectieve beheersing van vogelmijt is eenzelfde systematische en gestructureerde aanpak wenselijk, liefst als onderdeel van de bedrijfsprocessen op een bedrijf. De IPM-methode biedt de pluimveehouder handvatten voor de te nemen maatregelen.

Wat is IPM?

IPM staat voor ‘Integrated Pest Management’ ofwel geïntegreerde plaagdierbeheersing. Het is een methode waarbij een aantal (hier acht) stappen doorlopen worden, beginnend bij het voorkómen van insleep van plagen en ziekten (stap 1). Om het effect van de diverse preventieve maatregelen te controleren, wordt op een systematische wijze gemonitord (stap 2). Indien blijkt dat er toch vogelmijten zijn, moet uit de monitoring en de zogenaamde drempelwaarde worden opgemaakt of actie moet worden ondernomen (stap 3). Allereerst kan een niet chemische bestrijding worden ingezet, bijvoorbeeld lokaal schoonmaken (stap 4). Is het niet mogelijk daarmee de populatie onder de drempelwaarde te brengen, dan kan een chemisch synthetische bestrijding ingezet worden (stap 5). Door deze op de juiste wijze en tijdig in te zetten, kan met een minimum aan middelen een maximaal resultaat behaald worden en kan uiteindelijk per koppel bespaard worden op pesticiden (stap 6). Een belangrijk aspect daarbij is een goede anti-resistentiestrategie door bijvoorbeeld het afwisselen van middelen met andere werkingsmechanismen (stap 7). Uiteindelijk dienen de toegepaste maatregelen geëvalueerd te worden met behulp van de monitoringsgegevens (stap 8): hoe effectief was de maatregel en hoe kan het nog beter?

Wat is nieuw?

IPM voor vogelmijt bevat eigenlijk geen echte nieuwe elementen voor pluimveehouders. De kracht van IPM zit in de structuur die aangebracht wordt in het handelen van de pluimveehouder, in de regelmaat en in de afweging van de keuzes. Echte IPM bestaat in ieder geval uit het nemen van preventieve maatregelen, het monitoren van de plaagpopulatie en een bestrijding pas inzetten nadat een drempelwaarde is overschreden. Een onderdeel dat wellicht tot nu toe bij de meeste legpluimveebedrijven wat onderbelicht gebleven is, is het monitoren. Uiteraard loopt de pluimveehouder regelmatig door de stal en controleert hij dan af en toe op bepaalde plaatsen waarvan hij weet dat die favoriet zijn bij vogelmijten. Maar omdat vogelmijten zich vooral verstoppen in de kleinste gaatjes en kiertjes, zijn ze pas zichtbaar als de vogelmijtpopulatie al te groot is geworden. Contactmiddelen hebben dan vaak een beperkt effect doordat slechts een klein deel van de populatie bereikt wordt. Met structurele monitoring vanaf het begin van de legronde wordt een vogelmijtbesmetting al veel eerder opgemerkt en kan verdere populatiegroei door adequaat handelen worden beperkt. Dat adequate handelen hoeft op dat moment nog niet te bestaan uit het toepassen van chemische middelen, maar zou bijvoorbeeld ook het schoonmaken van de besmette plaats kunnen zijn. Monitoren geeft ook inzicht in de insleeproute en de effectiviteit van een behandeling. Zo weet een pluimveehouder welke middelen in zijn stal effect hebben en welke middelen hij beter niet meer kan kopen.

Praktijkonderzoeksproject IPM voor vogelmijt op pluimveebedrijven

Medio 2018 is een project gestart, waarbij twintig pluimveehouders IPM daadwerkelijk zijn gaan toepassen op hun bedrijven. Ze worden daarbij intensief begeleid door Wageningen Livestock Research en het Poultry Expertise Centre. Bij elk bedrijf is ook een erfbetreder betrokken, meestal de adviseur van de voerleverancier, de opfokorganisatie, de eierhandel of de dierenarts. Gezamenlijk proberen ze IPM toe te passen voor vogelmijt op legpluimveebedrijven. Theoretisch is IPM voor vogelmijt uitgewerkt, de toepassing in de praktijk moet nog geëvalueerd worden. Een gedetailleerde invulling van elke stap van IPM is immers per sector en per plaag verschillend. Zo zullen de preventieve maatregelen om insleep te voorkomen op hoofdlijnen gelijk zijn voor alle bedrijven, maar de gedetailleerde invulling is voor legpluimveebedrijven anders dan voor bijvoorbeeld tomatentelers. Ook het monitoren is globaal gelijk, maar het monitoringssysteem zal per sector en per plaag verschillen. Voor vogelmijt worden meestal speciale valletjes gebruikt, waar de vogelmijten in kruipen en die dan later beoordeeld kunnen worden. Monitoring op de verschillende, vaste, plaatsen in de stal laat zien of het om een plaatselijke besmetting gaat en of met lokale behandeling kan worden volstaan.De ervaringen van de twintig pluimveehouders in het project zijn dan ook zeer belangrijk in het praktijkrijp maken van IPM voor vogelmijt bij legpluimvee. De pluimveehouders komen regelmatig bijeen, wisselen ervaringen en tips uit en gaan hiermee vervolgens weer aan de slag op hun bedrijf.

De rol van de erfbetreder

Zoals aangegeven worden de twintig bedrijven ook ondersteund door de eigen adviseur. Deze kan de pluimveehouder helpen bij het beoordelen van de besmettingsdruk, bij het maken van beslissingen en kan helpen herinneren als bijvoorbeeld het maandelijkse monitoringsmoment eraan komt. De adviseur stimuleert de pluimveehouder om de puntjes op de i te zetten bij de aanpak van vogelmijt. Ook in de toekomst zal de adviseur een belangrijke rol blijven spelen bij IPM. Preventieve maatregelen om insleep en versleep van de plaagdieren en ziekten te voorkomen, het monitoren en de aanpak van de plaag bij overschrijding van de drempelwaarde wordt eerder ingebed in de bedrijfsprocessen als de adviseur het belang ervan benadrukt en handvatten biedt. Als een pluimveehouder volgens IPM werkt, is het noodzakelijk dat zijn erfbetreder deze systematiek kent en advisering daarop afstemt. De dierenarts zou gezien de link tussen vogelmijt en insleep van ziekten en effecten op dierenwelzijn en gezondheid, daar een grote rol in kunnen spelen.

Support voor de aanpak van vogelmijt met behulp van IPM

Dit deelproject van het project ‘Aanpak van vogelmijt bij legpluimvee’ wordt gefinancierd door het Ministerie van LNV, de Provincie Gelderland, de Gemeente Barneveld en Ede, de regio Food Valley, AVINED en het Fonds Pluimvee belangen. Daarnaast onderschrijven toeleverende en afnemende bedrijven in de legpluimveesector het belang van deze aanpak voor vogelmijt. De volgende bedrijven, in alfabetische volgorde, laten dat ook blijken door het project financieel te ondersteunen: ABZ Diervoeding, Agrifirm, Agruniek Rijnvallei, AviVet, De Heus Voeders, De Valk Wekerom, Eierhandel R. van Zetten, Elanco Animal Health, For Farmers/Reudink, Frans Veugen Bedrijfshygiëne, Gebroeders van Beek Group, Interovo Egg Group, Jansen Poultry Equipment, Kwetters eieren, MSD Animal Health en Van Eck BV Bedrijfshygiëne.

Tekst T.G.C.M. Van Niekerk en M.F. Mul, Wageningen Livestock Research

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen