Is de Konik de meest directe afstammeling van de Tarpan?

Koniks worden de laatste veertig jaar ingezet voor natuurlijk landschapsbeheer. Omdat de Konik het originele wilde paard het beste zou afspiegelen, zou dit ras zonder menselijke hulp in de natuur kunnen overleven. Maar is dat echt zo?

De eerste archaïsche paarden (Equus ferus) in Eurazië waren nog niet de rechtstreekse voorouders van het moderne huispaard (Equus ferus caballus). Vanaf 150.000 jaar geleden zouden zich in de loop der tijd twee ondersoorten gevormd kunnen hebben, namelijk een archaïsche voorouder (Equus ferus ferus) van het huispaard en het Przewalskipaard (Equus ferus przewalski). Der Sarkissian et al. (2015) stellen echter dat deze splitsing pas ongeveer 45.000 jaar geleden plaats heeft gevonden. Er zou daarna nog regelmatig genetisch materiaal uitgewisseld zijn tussen de ondersoorten.

Er zijn echter aanwijzingen dat dit scenario moet worden herzien en dat het Przewalskipaard helemaal geen wilde paardensoort is, maar slechts een verwilderd paard dat 5000 jaar geleden is ontstaan uit gedomesticeerde Botaj-paarden. Hoe het laat-pleistocene archaïsche paard eruit gezien zag, kan worden afgeleid uit grottekeningen van 30.000 tot 12.000 jaar geleden. Daarbij lijken er toen al bruine en zwarte exemplaren te zijn voorgekomen. Onder de pleistocene paarden van Duitsland, de Oekraïne en Siberië kwamen zelfs enkele Appaloosa’s voor. Het lijkt er dus op dat de archaïsche voorouder van het huispaard al verschillende kleuren kon hebben. Door de snelle holocene bebossing 10.000 tot 7.500 jaar geleden hebben de archaïsche paardenpopulaties in Europa grote delen van hun voorkeursbiotoop verloren. Het weinige materiaal suggereert dat de holocene archaïsche paarden van West- en Midden-Europa kleiner en lichter waren ten opzichte van wilde steppepaarden. Dit past bij een dier dat onder moeilijkere omstandigheden zijn voedsel bij elkaar moest zoeken. Eenduidige beschrijvingen van als wild beschouwde paarden in Europa zijn zeldzaam. Voor het wilde paard werd de naam Tarpan gekozen. Van Vuure (2014) concludeert dat in Oost-Pruisen, Litouwen en Polen waarschijnlijk nog tot in de zestiende eeuw (bos)Tarpans in de afgelegen wouden leefden. Een beschrijving uit 1640 suggereert dat er toen ook nog Tarpans leefden op de Oekraïense steppe. In de Voronez provincie heeft de zoöloog Gmelin (1770) in 1768 nog een muisgrijze Tarpanhengst en twee merries geschoten. Een laatste in het wild levende Russische Steppetarpan zou in 1879 gedood zijn. Het is nooit bewezen, maar het zou mogelijk geweest kunnen zijn dat in de zestiende eeuw de laatste schaarse (bos)Tarpans uit de wouden van Mazurië en Podlachië (de ‘Grote Wildernis’) gevangen werden voor het wildpark van Zwierzyniec van de Poolse edelman Jan Zemoyski. Toen in de achttiende eeuw de economische situatie in Polen slechter werd, zijn rond 1790 de laatste Tarpans uit Zwierzyniec geruimd. Brincken (1826) beweert echter dat deze dieren in 1806 aan boeren in Biłgoj zijn gegeven om hun eigen paarden mee te kruisen. Een dergelijke keuze zou zondermeer merkwaardig zijn geweest, omdat sinds lang de Oost-Europese boeren geen liefhebbers van de Tarpans waren. Door de desinteresse van toen is helaas nauwelijks materiaal van Tarpans bewaard gebleven. Dit maakt het moeilijk de meest recente stamvader van het huispaard aan te wijzen. Een 43.000 en een 16.000 jaar oud fossiel uit de Permafrost in Siberië bleken genetisch verwant met moderne Europese rassen zoals het Belgisch Trekpaard, de Freiburger, het IJslandse paard, het Mongoolse paard en de Fjord. Het genetisch materiaal van moederszijde van pleistocene paarden lijkt dus ruim verstrooid over zowel oudere als modernere rassen in Europa en Azië.

De domesticatie van het paard

Blijkens archeologische vondsten uit de Botajcultuur werden ongeveer 5500 jaar geleden in Kazachstan de eerste paarden gedomesticeerd; deze dieren zijn echter niet de voorouders van onze paarden. Waarschijnlijk was de technologie van domesticeren in de Kopertijd al verbreid over de steppen en moeten de voorouders van onze huispaarden uit een of meer holocene archaïsche populaties zijn gevangen. De stammoeders hadden een aanzienlijk aandeel in de loop van het domesticatieproces. Tenminste zeventien verschillende moederlijnen uit de wilde paardenpopulaties hebben bijgedragen aan de genenpoel van het huispaard. Op verschillende momenten en op verschillende plaatsen lijken merries uit wilde paardenpopulaties aan de huispaardenkuddes toegevoegd te zijn. De bijdrage uit de wilde populaties aan de genetische variatie van de hengstenlijnen is echter klein. Hoewel het genetisch materiaal van de Pontische Scythische paarden uit de IJzertijd nog een rijke variatie aan vaderlijnen bevatte, is in moderne paarden nog slechts één oervaderlijn terug te vinden. Door uitwisseling van tamme paarden uit verschillende gebieden heeft een grote genetische vermenging plaatsgevonden. Door deze vermenging is het moeilijk eenduidige fylogenetische clusters van rassen te reconstrueren. De analyse van de successieve mutaties in de genen van het vaderlijke Y-chromosoom suggereren dat alle Europese paardenrassen op oriëntaalse vaderlijnen teruggaan. Dit geldt niet voor de IJslander, de Shetlander en het Fjordenpaard. Bij veel rijpaardrassen loopt de lijn via het Engels volbloed naar Turkomaanse vaders. Arabische en Iberische vaderlijnen worden eerder gezien in koudbloeden, pony’s en barokke rassen.

De Konik

De Konik geldt als primitief Pools paardenras. De typische exemplaren hebben een zwaar hoofd en korte hals. Ze zijn relatief vaak overbouwd. De ribwelving is goed en de ribbenkast is goed ontwikkeld. De vacht is dicht en manen en staart zijn zwaar behaard. De schofthoogte varieert van 130 tot 140 centimeter. Het Poolse Konikstamboek accepteert in principe alleen muisgrijze dieren met aalstreep en zonder aftekeningen als zuiver. Lichte haren in de manen en staart zijn toegestaan. Zebrastrepen op de benen zijn gewenst. De Konik stelt weinig eisen aan zijn voedsel, vermeerdert zich makkelijk en past zich goed aan zijn leefomgeving aan. Via de moederlijnen is verwantschap aangetoond met Iberische paarden, de Huzule, de Vyatskaya en het Jakutische paard (http://pzhk.pl/en/breeding/polish-breeds/stud-book-of-origin-of-konik-polski-breed/). Het stamboek stelt dat overeengekomen is de Konik als de meeste gelijkende op en rechtstreekse afstammeling van de Bostarpan te beschouwen.

De terugfok van de Tarpan uit de Konik

Na de eerste wereldoorlog ontwikkelde zich belangstelling voor de pleistocene fauna van Europa. Het wilde paard zou terug gefokt moeten worden. De gebroeders Heck in Duitsland begonnen rond 1920 met het terugfokken van de Tarpan. Zij gingen uit van Przewalski-hengsten. Deze werden gekruist met IJslandse merries en Konikmerries. Deze Koniks kwamen uit de dierentuin van Berlijn. Dat velen de Konik als de meest directe afstammeling van de laatste Bostarpan zagen en zien, komt door bosonderzoeker Julius Brincken (1826) die met stelligheid beweerde dat de laatste Bostarpans via het dierenpark van Zwierzyniec uiteindelijk werden geschonken aan de boeren van het naburige district Biłgoraj. Helaas heeft Brincken de aanwezige bronnen niet zorgvuldig geanalyseerd en met zijn rijke fantasie de basis gelegd voor de mythevorming rond de afstamming van de Konik. Rond 1920 nam de Poolse geleerde Tadeusz Vetulani het gedachtegoed van Brincken kritiekloos over. De mythe van de Biłgorajkonik als directe afstammeling van de Bostarpan vormde voor Vetulani de basis voor programma’s om de Tarpan terug te fokken uit de regionale boerenpaarden uit het district Biłgoraj. Deze werden Koniks genoemd, wat in Galicië gewoon paardje betekent. Of deze Biłgorajkoniks wel zo bijzonder waren valt sterk te betwijfelen. Op grond van dubieuze waarnemingen aan schedels van geslachte Koniks en twee twijfelachtige Tarpans concludeerde Vetulani (1925) dat de Konik uit de omgeving van Biłgoraj werkelijk de oervorm van het huispaard zou zijn. In 1927 werden Konikhengsten en -merries van het zogenaamde Tarpantype voor het eerst geprimeerd. De vachtkleuren van de goedgekeurde Koniks werden beschreven als bruin, kastanjekleurig, zwart, wolfskleurig, vaal en vliegenschimmel. Dus zeker niet alleen de muisgrijze (zwarte dun) dieren of die met een witte winter kleur, waarnaar Vetulani later op zoek ging. Bij de uitbreiding van de basispopulatie kon Vetulani in het district Biłgoraj niet genoeg qua exterieur passende dieren vinden en dus heeft hij van elders boerenpaardjes betrokken. Uiteindelijk kwamen vier van de zes stamhengsten nog uit Biłgoraj. De meeste huidige afstammelingen komen echter van de hengst Wicek, waarvan niet bekend is waar hij geboren was. Consequent bij de keuze van de uitgangspopulatie was Vetulani beslist niet. Na de dood van Vetulani werd zijn experiment ingrijpend veranderd en werd het project in Białowieża stilgelegd. Door bestuurlijke verwarring bleven daar echter nog zeven Biłgorajkoniks achter. Het zwaartepunt van de Konikfokkerij verschoof naar Popielno. Op de conferentie in 1954 werd daar besloten de Konikfokkerij te continueren onder organisatorische en wetenschappelijke leiding van de Poolse Academie van Wetenschappen. Het was toen wel duidelijk dat het terugfokken van de Tarpan een illusie bleek. Dus besloot men de Konik dan maar als beste en meest directe afstammeling van de Bostarpan te beschouwen en een teelt van dergelijke primitieve paarden te onderhouden. In 1962 werd het eerste officiële Konikstamboek gepubliceerd. Hierin zijn 34 moederlijnen en 6 vaderlijnen geregistreerd. In de laatste veertig jaar gingen echter negentien moederlijnen verloren. De huidige populatie Koniks omvat meer dan 1.600 dieren, maar heeft wel een inteeltcoëfficiënt van 8 à 9 procent. Er zijn geen sterke aanwijzingen dat de Konik genetisch dichter bij de Tarpan of een ander archaïsch paard staat dan andere primitieve rassen zoals Sorraias, Fjordenpaarden, IJslandse paarden, Mongoolse paarden, Yakuts, Exmoor ponies en Shetlanders. Alleen al op grond van de gedocumenteerde uitgangspopulatie is een directe afkomst van de Tarpan niet aannemelijk. Behalve dat het ras door inteelt en regelmatig verlies van fokdieren de benodigde genetische variatie van een ‘wild paard’ heeft verloren, laat de betrouwbaarheid van de stamboekregistratie ook nog te wensen over. Georgescu et al. ( 2011) menen zelfs dat de Huzule dichter bij de Tarpan staat dan de Konik. Fylogenetisch behoren de Konik, de IJslander, de Exmoor, de Shetland Pony, de Akhal Teke en de Kaspische pony allen tot dezelfde cluster, alleen de Huzule valt daar buiten.

Epiloog

Kortom, er zijn geen objectieve aanwijzingen dat speciaal de Konik de meest directe afstammeling van de Tarpan is. Van Vuure (2014) noemt de beeldvorming rond de Konik een mythe. Met de kennis van nu is het zondermeer een onzinnige gedachte geweest uit gedomesticeerde dieren een oerpaard terug te fokken, zeker als er ook nog stevig ingeteeld wordt. Zelfs al zouden deze dieren uiterlijk op de oervorm lijken, dan wil dat niet zeggen dat ze ook de fysiologische eigenschappen van de wilde voorouders zouden hebben.

Tekst René van den Hoven (prof.renevandenhoven@gmail.com)

Dit artikel is ingekort voor publicatie. Lees het volledige artikel in de pdf.

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen