Is diergeneeskunde wetenschap?

Diergeneeskunde is een van de meest praktische universitaire studies. Een groot deel van de studenten kiest er bewust voor om ‘het vak’ te leren, met als doel om dierenarts te worden. Om prof. dr. Peter Koolmees – bijzonder hoogleraar Diergeneeskunde in Historische en Maatschappelijke context – te citeren: “Het vak diergeneeskunde is uit de praktijk voortgekomen en is nog steeds op de praktijk gericht.”1 Behoort diergeneeskunde dan eigenlijk wel tot de wetenschappen of is het puur een beroep dat op universitair niveau onderwezen wordt?

Tekst: Nikae te Moller

Diergeneeskunde is een van de meest praktische universitaire studies. Een groot deel van de studenten kiest er bewust voor om ‘het vak’ te leren, met als doel om dierenarts te worden. Om prof. dr. Peter Koolmees – bijzonder hoogleraar Diergeneeskunde in Historische en Maatschappelijke context – te citeren: “Het vak diergeneeskunde is uit de praktijk voortgekomen en is nog steeds op de praktijk gericht.”1 Behoort diergeneeskunde dan eigenlijk wel tot de wetenschappen of is het puur een beroep dat op universitair niveau onderwezen wordt?

Wereldwijd zijn er diergeneeskunde faculteiten die zich ‘Faculty of Veterinary Medicine’ noemen, waar andere zich ‘Faculty of Veterinary Science’ noemen. Van beide studeren er dierenartsen af. In het Nederlands lijkt zich dit het beste te vertalen naar ‘veterinaire geneeskunde’ en ‘veterinaire wetenschappen’. Hoewel de implementatie van wetenschappelijk onderzoek in de praktijk de laatste decennia steeds vanzelfsprekender is geworden en het ook een centrale plaats heeft gekregen in het diergeneeskundig onderwijs, heeft er lange tijd een kloof bestaan tussen de ontwikkeling van kennis zoals die in de literatuur werd beschreven en de praktische ‘veeartsenijkunde’. Op verschillende momenten in de geschiedenis wordt gesproken over de ‘verwetenschappelijking’ van de diergeneeskunde.2 Een proces dat zich met vlagen een weg lijkt te banen door de ontstaansgeschiedenis van het vak. Of moet ik zeggen, van deze wetenschap?
De afgelopen tien jaar heeft het wetenschappelijk onderzoek in de veterinaire praktijk in toenemende mate een gezicht gekregen in de vorm van de zogenaamde Evidence Based Veterinary Medicine (EBVM). Een principe dat is overgenomen uit de humane geneeskunde en dat als doel heeft om klinische besluitvorming en expertise te combineren met het best mogelijke wetenschappelijke bewijs.3 Het principe van Evidence Based Medicine (EBM) is echter niet nieuw. Redi, een 17e-eeuwse wetenschapper die beroemd werd als grondlegger van de parasitologie, verzette zich tegen ouderwetse theorieën en het werk van kwakzalvers. Zo gebruikte hij enkel medicijnen die hij van tevoren getest had op dieren en geschikt achtte. Hij zou een voorloper van de huidige EBM genoemd kunnen worden. Ook de 18e-eeuwse Albrecht van Haller, die experimentele fysiologie beoefende, accepteerde alleen fenomenen ten aanzien van de essentie van het leven die hij wetenschappelijk kon aantonen.4 De Britse John McFadyean (1853-1941) wordt vaak genoemd als grondlegger van de moderne veterinaire wetenschap. Hoewel hij afstudeerde als dierenarts aan het Royal Veterinary College, wilde hij geen practicus worden, maar legde hij zich volledig toe op de wetenschap die aan de praktijk ten grondslag zou moeten liggen. In McFadyean’s biografie schrijft Iain Pattison: “He could never be satisfied to treat animals
empirically with crude materials. He craved the science that he knew must
lie, as yet untouched, behind and beyond the empiricism euphemized as
the veterinary art.”5
Zijn de veterinaire praktijk en de veterinaire wetenschap twee op zichzelf staande zaken of kunnen ze samengebracht worden onder de naam diergeneeskunde? En als diergeneeskunde een wetenschap is, hoe verhoudt het zich dan ten opzichte van de medische wetenschap en andere aanpalende gebieden? Door de ontwikkeling van de diergeneeskunde door de eeuwen heen en de plaats die de wetenschap in de diergeneeskunde vandaag de dag inneemt onder de loep te nemen, probeer ik op deze vragen een antwoord te vinden.

Ontwikkeling van de diergeneeskunde op praktisch en literair gebied
Al ruim 300 jaar voor Christus schreef Aristoteles in zijn werken Historia animalium en De partibus animalium over vergelijkende anatomie, functies van organen, ziekten en chirurgische interventies bij uiteenlopende diersoorten. Hij wordt ook wel gezien als de grondlegger van de vergelijkende biologie en de diergeneeskunde. Over de oorsprong van de term ‘veterinarius’ bestaan verschillende theorieën die teruggaan tot in de Romeinse tijd. Aan het begin van onze jaartelling gebruikte Lucius Columella, een belangrijke auteur op het gebied van landbouw en dierziekten, de term ‘veterinarius’ bijvoorbeeld voor verzorgers van varkens, schapen en runderen. Lange tijd bleef de literatuur geïnspireerd door antieke werken uit de 4e en 5e eeuw na Christus, van o.a. Vegetius Renatus en Absyrtus. Eind 13e eeuw verscheen het praktisch georiënteerde De Medicina Equorum van Jordanus Ruffus, dat zich o.a. richtte op oogziekten, kreupelheid, bekapping en wondbehandeling bij paarden. In de eeuwen daarna werd zijn werk vaak gekopieerd in verschillende talen. Over het algemeen was de literatuur die tot in de 16e eeuw verscheen weinig vernieuwend. Geleerden met allerlei verschillende achtergronden (van filosofen tot artsen en van rijschooldirecteurs tot theologen) schreven over de behandeling van paarden waarbij ze zich baseerden op traditionele middeleeuwse recepten en therapieën.2 In de 16e eeuw werd echter, evenals op vele andere wetenschapsgebieden, belangrijke vooruitgang geboekt. Het boek Dell anatomia et dell’infermita del cavallo van Carlo Ruini dat in 1598 verscheen, was een mijlpaal in de veterinaire anatomie. Ruini wordt ook wel gezien als de grondlegger van de moderne paardengeneeskunde.2,4,6
In de tijd van Ruini was er echter nog geen sprake van een georganiseerde overdracht van de kennis zoals die in de literatuur beschreven stond, naar de alledaagse veterinaire praktijk. In het grootste deel van Europa werd het veterinaire vak tot in de 18e eeuw met name beoefend door zogenaamde empiristen. Geschoolde en ongeschoolde hoefsmeden, stalmeesters, slagers, maar ook ‘paardendokters’ van het type kwakzalver verleenden medische zorg voor paarden. Echter, veel mensen kozen ervoor om zelf ‘eerste hulp’ aan hun dieren te verlenen. Behandeling van grotere dieren werd waarschijnlijk vaak gedaan door veehoeders en het vrouwelijke hoofd van de familie was verantwoordelijk voor de kleine dieren.2,7 Tijdens de runderpestepidemieën in de 18e eeuw, werd duidelijk welke gevolgen de afstand tussen empirie en wetenschap kon hebben. Toen de bijgelovige gebruiken van empiristen geen effectieve methode bleek om de verspreiding onder dieren te stoppen, ontstond dringend behoefte aan een meer wetenschappelijke aanpak.2 Men ging zich realiseren dat de kennis van empiristen inadequaat of zelfs verkeerd was vanuit een wetenschappelijk standpunt.4 Er werd een beroep gedaan op medici, maar die deden voornamelijk theoretisch onderzoek naar dierziekten. Om kennis en praktijk samen te kunnen brengen was diergeneeskundig onderwijs nodig. In 1762 richtte Claude Bourgelat de eerste veeartsenijschool op in Lyon. Hij schreef wetenschappelijke stukken over dierziekten en liet zijn kennis door bedienden overdragen op zijn studenten. Een ander belangrijk figuur uit de veterinaire wereld in deze tijd was Philippe Etienne Lafosse. Hij verzette zich in zijn werk tegenbijgeloof en de vele misvattingen over paardengeneeskunde bij ongeschoolden. Hij richtte daartoe zelfs een amfitheater op waar hij gratis lessen gaf in anatomie en pathologie. Eind 18e en begin 19e eeuw werden ook in de rest van Europa veeartsenijscholen opgericht, waaronder de Rijksveeartsenijschool in Utrecht in 1821.2

Implementatie van het wetenschappelijk onderzoek in de diergeneeskunde
Er wordt gesproken van een wetenschappelijke stroomversnelling in de diergeneeskunde vanaf de tweede helft van de 18e eeuw: het instrumentarium breidde uit en met name kennis van de anatomie verbeterde sterk. Aan het eind van de 19e eeuw waren er ook grote ontwikkelingen binnen de diergeneeskundige diagnostiek. In deze periode lijken wetenschap en de veterinaire praktijk dus dichter bij elkaar te komen. Van de andere kant waren de studieprogramma’s met name praktijkgericht. Tussen 1850 en 1851 werden op de veeartsenijschool in Utrecht de professoren zelfs vervangen door veeartsen en leerkrachten omwille van bezuinigingen en ontwikkelde de instelling zich verder als vakschool. Pas na de 1e wereldoorlog begon wetenschappelijk onderzoek een centrale plaats in te nemen en kregen studenten de mogelijkheid om na het afronden van hun studie te promoveren tot doctor in de diergeneeskunde. In 1925 werd de opleiding onderdeel van de Universiteit Utrecht.2
In de tweede helft van de 20e eeuw ontstonden er in Europa verschillende organisaties voor veterinaire specialismen. Deze hadden als doel om samenwerking te promoten en scholing en onderzoek binnen een specialisme te bevorderen. Veel organisaties gingen dan ook een eigen tijdschrift publiceren. Sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw zijn er steeds meer colleges van Europese specialismen ontstaan. Deze zijn verantwoordelijk voor de opleiding en erkenning van veterinair specialisten in diverse disciplines. Sinds 1996 staan al deze colleges onder supervisie van een overkoepelende organisatie, the European Board of Veterinary Specialization (EBVS).8 Een van de eisen aan een specialisme is dat het moet worden ondersteund door wetenschappelijke kennis en EBM.9
Het belang dat wordt gehecht aan de plaats van wetenschap in de diergeneeskunde, is ook terug te vinden op de websites van verschillende veterinaire faculteiten wereldwijd. Hieronder volgen enkele voorbeelden:
• Faculteit Diergeneeskunde in Utrecht: “De diergeneeskunde die aan de faculteit Diergeneeskunde wordt gedoceerd rust op twee pijlers: de moderne natuurwetenschappen en de principes van evidence based medicine.”10
• The Royal Veterinary College in Londen: “The College is committed to the three pillars of its mission: to education, to the discovery and translation of new knowledge, and to the delivery of the very best clinical care and opinion.”11
• Faculty of Veterinary Medicine and Animal Science in Sweden: “The faculty’s mission is to conduct high-quality academic research and teaching in the field of veterinary medicine and animal science.”12

Uit de zienswijze die door de EBVS en veterinaire faculteiten wordt uitgedragen ten aanzien van het belang van de veterinaire wetenschap, komt duidelijk naar voren dat een wetenschappelijke basis een vereiste is om het veterinaire vak te onderscheiden van alternatieve of complementaire procedures en wetenschappelijk weerlegde of ongegronde pseudowetenschappelijke methoden. Het beeld van wetenschap dat hierin doorschemert, is die van een ‘sciëntistische visie’. Deze houdt in dat er slechts één vorm van kennis is; wetenschappelijke kennis. In het algemeen wordt dit beschouwd als kennis verworven door onderzoek naar theorieën over de werkelijkheid die getoetst worden aan de hand van feiten verkregen door het volgen van de wetenschappelijke methode (bijvoorbeeld een experiment).13 Objectiviteit, herhaalbaarheid en gewaarborgde kwaliteit zijn voorbeelden van begrippen die hiermee worden geassocieerd. Volgens de sciëntistische visie kunnen alle andere vormen van kennis herleid worden tot wetenschappen en wat wetenschappelijk niet vaststelbaar is, kan niet bestaan of is ongeldig.13
Bovenstaande betreft de implementatie van wetenschap binnen de muren van faculteiten en binnen de selecte groep veterinair specialisten. Hoe zit het met de eerstelijns diergeneeskunde? Een dierenarts maakt dagelijks vele beslissingen over diagnoses, behandelingen en prognoses en kan zich daarbij baseren op verschillende soorten kennis, waaronder: zelf opgedane kennis door studie en ervaring, kennis van collega’s en kennis verzameld in tekstboeken. In de huidige maatschappij, met een dagelijkse stroom aan kennis en nieuwe inzichten, is het echter nodig up-to-date te blijven om beslissingen te maken die ondersteund worden door ‘de kennis van nu’. Met behulp van EBVM worden beslissingen gebaseerd op het beste bewijs dat er op het moment is voor een specifieke casus aan de hand van een stappenplan.14 Eerst wordt de informatiebehoefte gedefinieerd d.m.v. een klinische vraag passend bij de patiënt, de mogelijke interventies en de gewenste uitkomst. Op basis hiervan kan worden gezocht naar bewijs in de wetenschappelijke literatuur. Vervolgens moet de validiteit en relevantie van het bewijs voor de betreffende vraagstelling nauwkeurig geëvalueerd worden. Om bewijs een waarde te geven wordt een ‘pyramid of evidence’ gebruikt: de ‘level of evidence’ is het hoogst voor bronnen bovenin de pyramide (systematische reviews > meta-analyses > geblindeerde gerandomiseerde gecontroleerde trials) en neemt naar beneden toe af (met onderaan in-vitro onderzoek). Door de gevonden informatie te integreren met de aanwezige klinische expertise, de behoeften van de patiënt en de wensen van de eigenaar wordt een plan opgesteld. Na verloop van tijd worden de resultaten van de beslissing geëvalueerd: Zijn de verwachte resultaten bereikt? En zo niet, waarin verschillen de resultaten? Dit kan vervolgens worden gebruikt als klinische expertise, maar mogelijk ook voor publicatie in de vorm van een case report of case-series. Het toepassen van EBVM in de dagelijkse praktijk is dus niet alleen eenrichtingsverkeer waarbij practici de wetenschap als het ware consumeren. Behalve het genereren van nieuwe kennis, kunnen belangrijke hiaten in de wetenschappelijke literatuur aan het licht komen waarop het wetenschappelijk onderzoek weer zou kunnen inspelen.15

De plaats van diergeneeskunde als wetenschap tussen andere wetenschappen
Nu ik geprobeerd heb de integratie van wetenschappelijk onderzoek en veterinaire praktijk inzichtelijker te maken, zou een volgende vraag kunnen zijn of diergeneeskundig onderzoek eigenlijk wel een op zichzelf staande wetenschap is, of dat de veterinaire praktijk in feite vaart op onderzoek dat valt binnen andere wetenschapsgebieden zoals de biologie, chemie of fysica.
Ten aanzien van onderzoek schrijft de Faculteit Diergeneeskunde in Utrecht op haar website: “At the faculty of Veterinary Medicine, we perform fundamental and strategic research focused on the health, disease and welfare of animals and on related public and environmental health aspects. This knowledge should provide a solid basis for novel strategies that benefit veterinary practice, human health, and the economy.”16 De veterinaire wetenschap beperkt zich dus niet tot het dier, maar is duidelijk verstrengeld met de humane gezondheid, het milieu en ook de economie. Hoewel disciplines zoals de biologie, chemie en fysica allen hun bijdrage leveren aan de vooruitgang van de veterinaire wetenschappen, is er altijd sprake van een bepaalde interactie, waarbij dierziekten kunnen worden gezien als een motiverende factor in de continue ontwikkeling. Karasszon maakt een sprekende vergelijking met de woorden: “In technology wars play the same role as diseases in medical and veterinary science.”4 Dierziekten dwingen onderzoekers steeds te blijven zoeken naar nieuwe informatie en deze nieuwe informatie heeft niet alleen effect op de diergeneeskunde zelf, maar ook op aangrenzende wetenschapsgebieden.
Met name met de humane medische wetenschap heeft de veterinaire wetenschap een intieme relatie. Als je deze twee überhaupt als verschillende wetenschappen wilt beschouwen. De toenemende resistentie tegen antibiotica of uitbraken van (nieuwe) infectieziekten, waaronder zoönosen en voedsel gerelateerde pathogenen, zijn belangrijke thema’s die de voornamelijk conceptuele grens tussen mens- en diergezondheid doen vervagen. Thema’s die benaderd (moeten) worden via het “One Health” principe.17 Prof. dr. Anne Hardy beschrijft de geleidelijke herkenning hiervan door de afgelopen eeuwen in haar publicatie “Animals disease and man: making connections”.18 Hierin beschrijft zij ook de parallel met de onwil van veel wetenschappers om dit principe te erkennen door de gezondheid van mensen en die van dieren als grotendeels onafhankelijke disciplines te blijven beschouwen; niet geholpen door allerlei vertragende intellectuele, sociale, culturele en politieke factoren.
Opmerkelijk is, dat vandaag de dag de op voorhand humane relevantie van veterinair onderzoek van doorslaggevend belang kan zijn voor de financiering van een project. Hierdoor lijkt het alsof de veterinaire wetenschap enkel in dienst staat van de humane medische wetenschap. En, is het ‘probleem’ dat op voorhand niet duidelijk is wat de relevantie van het onderzoek zou kunnen zijn, niet inherent aan het doen van onderzoek? Een mooi voorbeeld is de ontdekking en ontwikkeling van bloedverdunners; een proces van jarenlang onderzoek, wat allemaal begon met een mysterieuze veeziekte aan het begin van de 20e eeuw. In een indrukwekkend korte tijd van minder dan twee jaar, ontdekte Frank. W Schofield, een veterinair patholoog, dat de ziekte veroorzaakt werd door een gif dat via bedorven hooi aan vee werd gevoerd. Dit resulteerde in ernstige bloedingen en acute sterfte. De zoektocht van verschillende wetenschappers naar het precieze werkingsmechanisme in de jaren daarna, leverde een zeer belangrijke bijdrage aan onderzoek naarstollingsfactoren. Zo’n 20 jaar later ontstond het inzicht dat de giftige stof, dicoumarol, gebruikt kon worden als medicijn tegen trombose bij mensen.19 Wie had vooraf gedacht dat het zoeken naar de oorzaak van massale sterfte bij vee zou leiden tot een medicijn dat vandaag de dag nog vele mensenlevens redt? Het belang van de veterinaire wetenschap voor andere (natuur)wetenschappen en de verstrengeling met de humane medische wetenschappen, laten zien dat diergeneeskunde niet slechts bestaat uit allerlei aanpalende wetenschapsgebieden, maar werkelijk een betekenis heeft gehad en nog altijd heeft als een op zichzelf staande wetenschap. Voorbeelden van wetenschappelijke doorbraken in de geschiedenis, bieden voldoende fundament om de diergeneeskunde een eigen plek te geven tussen andere wetenschappen.

Conclusie
Uit de visie van verschillende veterinaire instanties zoals veterinaire faculteiten en de EBVS komt duidelijk naar voren dat wetenschap aan de basis staat van de hedendaagse diergeneeskunde. Om dit ook in de alledaagse praktijk te laten doorwerken, worden dierenartsen gestimuleerd om evidence based te werken. De meeste practici zijn geen wetenschapper in die zin van het woord dat ze hun geld verdienen met het doen van wetenschappelijk onderzoek en het leveren van nieuwe kennis en inzichten. Echter, om Holmes en Cockcroft te citeren: “A veterinary education prepares practitioners not only for clinical work but also provides many of the key skills and much of the scientific background knowledge that are required to perform clinical research”.15 Daarnaast is het vermogen om de best mogelijke kennis op de juiste momenten te raadplegen om met de grootst mogelijke waarschijnlijkheid de juiste beslissingen te nemen, van groot belang voor de kwaliteit van de dagelijkse diergeneeskundige zorg. Diergeneeskunde is niet alleen het aanleren van de ‘praktische kunstjes’, maar een ‘way of thinking’. Bovendien kan de kennis die vergaard wordt naar aanleiding van vragen of problemen vanuit de veterinaire praktijk, in diezelfde veterinaire praktijk weer gebruikt worden om beslissingen te onderbouwen. Er is dus wel degelijk sprake van een wisselwerking tussen wetenschap en praktijk, ook al is dat niet altijd in één persoon te verenigen.
Zonder een vastomlijnde definitie van ‘wetenschap’ te formuleren, blijkt de diergeneeskunde wel kenmerken van een wetenschap te bezitten. De toepassing van wetenschappelijk verkregen kennis in een praktische context is essentieel geweest voor de enorme vooruitgang die de kwaliteit van de diergeneeskundige zorg door de eeuwen heen heeft geboekt. De geschiedenis leert ons dat de diergeneeskunde bovendien een belangrijke rol heeft gespeeld in wetenschappelijke doorbraken, waarmee het zich duidelijk heeft gevestigd tussen aanpalende wetenschapsgebieden zoals de moderne natuurwetenschappen. En ook in de toekomst zullen dierziekten en de behandeling daarvan altijd een trigger zijn voor de zoektocht naar nieuwe kennis.

Dankwoord

Graag wil ik prof. dr. Koolmees bedanken voor zijn literatuur advies en prof. dr. René van Weeren voor zijn input op de herziene versie van dit essay.

Bibliografie
1. Koolmees, P. “De erfenis van Vlimmen. Over de geschiedenis van de diergeneeskunde.” Oratie Universiteit Utrecht, Utrecht 2007.
2. Coorevits, Sandrin, Ellen De Clercq, Elke Noyez red. Van paardenmiddel tot paardendokter: over de geschiedenis van de paardengeneeskunde. Waregem: Stadsbestuur Waregem, 2011.
3. Vandeweerd, J., N. Kirschvink, P. Clegg, S. Vandenput, P. Gustin, C. Saegerman. “Is evidence-based medicine so evident in veterinary research and practice? History, obstacles and perspectives.” The Veterinary Journal 191 (2012), 28–34.
4. Karasszon, S.D. “The place, role and importance of veterinary history in the history of sciences, culture and arts.” In Veterinary Medicine historical approaches, edited by Ferruh Dinçer, 11-24. Ankara: Ankara University Press, 2002.
5. Pattison, I. and Mcfadyean, J. “A great British Veterinarian.” Londen: J.A. Allen and Co, 1981.
6. Dunlop R.H. and Williams D.J. “Veterinary Medicine: an illustrated history.” St. Louis, Missouri: Mosby, 1996.
7. Curth, L.H. “The care of the brute beast: animals and the seventeenth century medical market-place.” Social History of Medicine 15 (2002), 375-392.
8. Romagnoli, S. “The European System of Veterinary Specialization.” Journal of Veterinary Medical Education 37 (2002), 334-9.
9. European Board of Veterinary Specialization. “Policies and procedures 2017.” https://ebvs.eu/publications/public/constitution-policies-and procedures (geraadpleegd maart 2019).
10. Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht. “Zienswijze alternatieve geneeswijzen.” https://www.uu.nl/organisatie/faculteit diergeneeskunde/zienswijze-alternatieve-geneeswijzen (geraadpleegd maart 2019).
11. Royal Veterinary College, University of London. “Mission & Strategy”, https://www.rvc.ac.uk/about/the-rvc (geraadpleegd 17 maart 2019).
12. Faculty of Veterinary Medicine and Animal Science, Swedish University of Agricultural Sciences. https://www.slu.se/en/faculties/vh/ (geraadpleegd maart 2019).
13. Koster, E. “Wat is Wetenschap?” 3e dr. Amsterdam: VU University Press, 2014. 1e dr. 2010
14. Schmidt, P. L. “Evidence-Based Veterinary Medicine: Evolution, Revolution, or Repackaging of Veterinary Practice?” Veterinary Clinics Small Animal Practice 37 (2007), 409-417.
15. Holmes, M. and Cockcroft, P. “Handbook of Veterinary Clinical Research.” Oxfort: Blackwell Publishing, 2008.
16. Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht. “Veterinary Research,” https://www.uu.nl/en/organisation/faculty-of-veterinary medicine (geraadpleegd Maart 2019).

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen