Kalveren, nog steeds kinderen van de rekening?

Het is een ongemakkelijk onderwerp: kalversterfte. Stichting Dier&Recht hees begin vorig jaar de stormbal met koppen als ‘torenhoge sterfte in de melkveehouderij’. Dit bracht – naast pijnlijke Kamervragen – een discussie op gang over de meetmethode. Dat is niet gek, want de genoemde percentages lieten een dramatisch beeld zien. Nadat de cijferstorm enigszins was bedaard, gaven de meeste belanghebbende partijen toe dat de kalversterfte ‘aan de hoge kant was’. En de stijgende trend was zorgwekkend, net als het relatief hoge antibioticumgebruik in de Nederlandse vleeskalverhouderij. Inmiddels hebben onder andere de zuivel- en de kalversector maatregelen getroffen.

Ook dierenartsen vinden de kalversterfte in de melkveehouderij te hoog. Om een discussie over de berekeningswijze te vermijden, hebben we het in dit artikel over het percentage kalveren dat doodgeboren ter wereld komt, of sterft binnen 24 uur. Dat percentage varieert in Nederland tussen de 4 procent tot 50 procent. Een gemiddelde blijkt niet veel te zeggen, want kalversterfte heeft geen normaalverdeling. Veel melkveehouders doen het goed en negatieve uitschieters beïnvloeden het gemiddelde heel sterk. Er is bovendien een grote middenmoot die met gerichte hulp en moeite sterk kan verbeteren. Dat zou meteen een aardverschuiving in de cijfers laten zien. Maar de werkelijke winst van betere zorg voor de kalveren is veel groter. Kalveren die naar de vleeskalverenbedrijven gaan, hebben een betere start en hebben minder antibiotica nodig. Veehouders hebben minder werk, dat ze bovendien beter kunnen plannen. En het jongvee dat aanblijft heeft een betere en langere toekomst. De zuivel- en de kalversector zijn er ook achter dat er dubbel voordeel te behalen valt. De Nederlandse zuivel heeft een goed imago hoog te houden als het gaat om dierenwelzijn en duurzaamheid (onder andere vertaald in de levensduur van de koeien). Een hoge kalversterfte past niet in dit plaatje. De vleeskalverhouderij is op zoek naar mogelijkheden om antibioticagebruik verder
te reduceren.

Inmiddels is er een Plan van Aanpak, is er een algemeen erkend kengetal ‘kalversterfte’ (dat meer omvat dan de sterfte binnen 24 uur) en zijn er programma’s zoals kalfOK en Vitaal Kalf. En er volgen sancties. De melk van bedrijven die inderdaad kampen met veel te hoge kalversterfte, mag in de toekomst niet meer worden geleverd. Vleeskalveren mogen alleen nog worden geleverd aan erkende bedrijven die werken met het kalf-volg-systeem. Melkveehouders horen terug hoe ‘hun kalveren’ het doen verderop in de keten. En ook de NVWA kan beter toezien met dit systeem.

Een beetje beschaamd

Maar wat betekent de dierenarts eigenlijk in deze kwestie? Is het niet frustrerend, of zelfs beschamend, dat de kalversterfte ongemerkt zo hoog kon oplopen? Waarom moet Dier&Recht eraan te pas komen? Eric van der Velden, die zich professioneel helemaal heeft toegelegd op de vleeskalversector, geeft toe dat hij zich een beetje schaamt. “Toen ik dertig jaar geleden afstudeerde, wees professor Arie Brand ons al op het belang van goede zorg voor het jongvee, dus ook voor de kalveren. Hij vond dat wij daarin een taak te vervullen hadden.” Dertig jaar later laat die zorg nog steeds te wensen over. “Ik durf Arie Brand eigenlijk niet goed onder ogen te komen.” Van der Velden vindt dat hij meer zou moeten doen – in samenwerking met rundvee-collega’s – om het probleem van kalversterfte aan te pakken. “Niet in de laatste plaats omdat het de moeite loont. Als de kalveren ‘vlees op de rug hebben’ als ze aankomen op het bedrijf, scheelt dat heel veel ziekte, uitval en welzijnsproblemen.” De toegenomen aandacht voor antibioticagebruik heeft blootgelegd dat de Nederlandse kalveren kwetsbaarder zijn dan soortgenoten uit buurlanden. Ze hebben simpelweg een achterstand. Van der Velden legt het kort uit: “Afweer kost heel energie. Als de kalveren niet genoeg biest hebben gekregen of ziek worden in de eerste dagen, verbruiken ze veel eiwit voor afweer. En ze spreken hun spiereiwit aan als energiebron. Ze hebben dan niets meer bij te zetten.” Meer aandacht voor een goede start – binnen in de hele keten – is dus op zijn plaats.

Normen en belangen

Mark van der Heijden van de Universitaire Landbouwhuisdieren Praktijk (ULP), tot voor kort voorzitter van de Vakgroep Gezondheidszorg Herkauwer (VGH), heeft meegeschreven aan het landelijke plan dat de kalversterfte moet terugdringen. Hij vindt het lastig dat het probleem zich buiten de directe invloedssfeer van de dierenarts bevindt. “Maar dat geldt eigenlijk voor de meeste diergeneeskundige problemen,” lacht hij. Met zijn medewerking aan het plan van aanpak namens de KNMvD heeft hij echter wel degelijk invloed gehad. “We hebben onze professionele norm daar natuurlijk wel in verwerkt.” Hij vindt dat melkveehouders met betrekkelijk gemak een norm van 10 procent moeten kunnen halen. “De grote verschillen laten namelijk zien dat er veel verbeterruimte is.” Het meewerken aan normstelling is trouwens wel een netelig pad, gezien de grote financiële belangen die in het spel zijn. “We moeten voortdurend afwegen wat praktisch haalbaar is, binnen de context van de melkveehouderij. Een getal gaat gauw een eigen leven leiden in zo’n krachtenveld, zoals een balletje in een flipperkast.” Het wekt dan ook geen verwondering dat de zuivelsector de lat lager legt dan de veterinaire beroepsgroep. Enigszins moegestreden: “Het blijft toch: wie betaalt, bepaalt. Maar het is in elk geval een stap vooruit dat er inmiddels een kengetal is waar melkveehouders zich aan kunnen meten. En de toegenomen aandacht voor antibioticagebruik in de vleeskalverhouderij werkt als hefboom.” Het belangrijkste argument om het probleem onder ogen te zien, is overigens niet inhoudelijk. “Ik vind dat de melkveehouder de morele plicht heeft goed voor zijn kalveren te zorgen, als onderdeel van de ‘license to produce’. Die verantwoordelijkheid mogen en kunnen wij niet overnemen.”

Oog voor de praktijk

“Boeren willen scherp gehouden worden door hun dierenarts, vooral op de punten die ze gemakkelijk naar het tweede plan schuiven. Dat is dus alles behalve de dagelijkse zorg voor de melkkoeien, de voederwinning en het melken,” aldus Jan Hulsen, dierenarts en mede-eigenaar van Vetvice. Hij heeft aan de wieg gestaan van de Blauwdruk Kalveropfok, die is ontwikkeld met een breed panel van deskundigen. De blauwdruk wordt vrij beschikbaar gemaakt voor onder andere melkveehouders. Het sterke punt is de praktisch toepasbaarheid. Hulsen: “De oplossing ligt in ‘gestructureerd planmatig werken’. De blauwdruk verschaft daarvoor de structuur. Het is ook een prachtig middel voor veterinair advies en begeleiding.” Inhoudelijke experts hebben zich eendrachtig gebogen over de vraag ‘hoe helpen we de veehouder?’ Vervolgens is de blauwdruk twee jaar lang getoetst op praktijkbedrijven, met studenten van de HAS. “Een melkveehouder wil graag weten waarom hij iets moet doen en vooral hóe! Een dierenarts moet zijn adviezen dus baseren op haalbare oplossingen,” zegt Hulsen.
Zelf heeft hij geen moeite met het stellen van een norm. Net als Van der Heijden acht hij 10 procent kalversterfte makkelijk te doen. “Als je wilt sturen, moet je meten en terugkoppelen. Ik geloof er absoluut in dat terugkoppeling van resultaten zoals via KalfOK en Kalfvolgsysteem, op zichzelf al een verbetering gaat opleveren.” Zijn grootste interesse gaat uit naar de bedrijven die tussen de 8 en 20 procent zitten. “Die middenmoot is echt gebaat bij goede ondersteuning en praktische tools.” De blauwdruk is een integraal verhaal dat gaat van biestvoorziening tot fysieke inrichting van de omgeving van de afkalvende koe en de kalveren. Hulsen kan het belang van toepasbaarheid niet genoeg benadrukken: “Denk vanuit de veehouder als je een oplossing formuleert. En zorg dat je in processen kunt denken. Veel van de matige resultaten vinden bijvoorbeeld een basis in tekortschietende werkplekken. Werk dus met praktische protocollen.”

Beter dan de koe?

Tenslotte doen we navraag bij de dierenartsen bij Dier&Recht. Voor hen is kalversterfte allereerst een ethische kwestie, die de aanleiding vormde voor het opbouwen van maatschappelijke druk. Frederieke Schouten was dan ook blij met de politieke aandacht. “Maar we kregen wel om onze oren dat onze getallen niet klopten,” lacht ze. “Dat was geen boze opzet hoor; het was voor alle betrokkenen moeilijk om de cijfers te interpreteren. Maar de sterfte was evident hoog en de stijging zonder meer zorgwekkend.” Schouten is erg te spreken over het kalf-volg-systeem dat begin dit jaar is geïntroduceerd. “Want in de vleeskalverhouderij kunnen ze het antibioticagebruik alleen verder omlaag krijgen met meer aandacht voor een goede start.” Ze hoopt dat erover te praten valt om de kalveren langer op het melkveehouderijbedrijf te houden: “Als de kalveren dan ook wat meer waard zijn, wordt het bedrijfsmatig een beter plaatje.” Ze zou het nog mooier vinden, als er échte veranderingen worden doorgevoerd. Zoals het houden van het kalf bij de koe. “Maar daar zijn tot mijn verbazing ook veel dierenartsen op tegen,” zegt ze. “Het is waarschijnlijk een brug te ver vanuit angst voor infectieziekten en natuurlijk zijn er grote risico’s in de huidige huisvestingssystemen. Maar bedenk wat een betere moederzorg voor de weerstand van het kalf kan betekenen en hoe essentieel we dat als dierenartsen vinden bij andere diersoorten, zoals de hond, het paard en het varken.” Ergens vindt ze het dus gek dat de mens denkt beter voor het kalf te kunnen zorgen dan de koe zelf. “Het schept in elk geval wel een grote verantwoordelijkheid!” benadrukt ze. En daar is ook de Wageningen University & Research (WUR) het mee eens. Het essay ‘Kalversterfte kan minder als zorgvraag kalf centraal staat’ bepleit een nieuw ontwerp van huisvestings- en managementsystemen, die de zorg van de koe voor het kalf toelaten, of zo goed mogelijk nabootsen. Het is niet alleen een technisch verhaal, het gaat ook om zuigen, rust, ontspanning et cetera. Wat Arie Brand dertig jaar geleden al zei, eigenlijk.

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen