Wanneer mag een noodslachting uitgevoerd worden?

In sommige gevallen is een dier niet meer geschikt voor transport, maar nog wel geschikt voor humane consumptie. Voor die gevallen is er de noodslachting. Noodslachtingen zijn wettelijk geregeld in de Verordening (EG) 853/2004 en dan specifiek in Bijlage III, sectie I, hoofdstuk VI. Hierin wordt gesteld dat een noodslachting alleen uitgevoerd mag worden op een gezond dier dat naar aanleiding van een ongeval om welzijns-technische redenen niet levend naar het slachthuis vervoerd kan worden. Het dier mag ten tijde van het ongeval niet ziek zijn of verdacht worden van een ziekte en wachttijden moeten natuurlijk in acht genomen worden (het dier moet immers geschikt zijn voor humane consumptie).

De maximale tijd tussen het ongeval en de noodslachting mag maximaal 3 keer 24 uur bedragen. Uit welzijnsoverwegingen is het natuurlijk in veel gevallen aan te raden om de noodslachting zo snel mogelijk uit te voeren.

Voorafgaande aan de noodslachting moet de dierenarts een antemortem keuring uitvoeren. Alleen als hieruit blijkt dat het dier in aanmerking komt voor noodslachting, mag het dier gedood worden d.m.v. bedwelming en verbloeden. Het dier kan daarna, vergezeld van een volledig en juist ingevulde Verklaring van Noodslachting (ook wel noodslachtingsformulier  genoemd) en voedselketeninformatie (VKI)  naar het slachthuis vervoerd worden. Noodslachtingsformulieren zijn te verkrijgen via de webshop van de KNMvD.

Om meer duidelijkheid te verschaffen over de precieze voorwaarden waaronder een noodslachting plaats mag vinden, heeft de NVWA het document Toelichting op noodslachting opgesteld. Hierin wordt o.a. duidelijk uitgelegd wat wordt verstaan onder een ongeval en wanneer een dier wel of niet vervoerd mag worden. Deze en andere handige documenten vind je in ons dossier Noodslachting.