KNMvD-erelid Ton de Ruijter

Met een weids uitzicht over de Maas vanuit het appartement in Mook waar Ton en Eline de Ruijter wonen, spreken we in de seniorenrubriek van het TvD met KNMvD-erelid Ton de Ruijter (73). Hij doet praktijk tot zijn veertigste. Dan neemt zijn loopbaan een wending waarbij hij van de ene uitdaging in de andere rolt. Ton blikt met ons terug en maakt ons deelgenoot van een aantal van zijn ervaringen en waarnemingen.

Tekst – Paul Knijff, commissie senioren

Ton de Ruijter groeit op in Eindhoven en Oss. Op jonge leeftijd wordt hij lid van de padvinderij. Daar haalt hij het certificaat Dieren-EHBO. Van plaatselijk dierenarts Draaisma, die de cursus heeft gegeven, mag hij op woensdagmiddag en zaterdagen met hem mee op pad. Als Ton op zeventienjarige leeftijd zijn HBS-diploma haalt, aarzelt hij niet. Hij gaat diergeneeskunde studeren in Utrecht. Na zijn afstuderen in 1971 moet hij eigenlijk in militaire dienst. In plaats daarvan kan hij door op het aanbod van professor Wagenaar in te gaan, aan de slag bij de Kliniek voor Inwendige Ziekten. Na drie jaar verkast hij naar de groepspraktijk in Oss. Hij spijkert nog wel even zijn kennis en vaardigheden bij op de Kliniek Gezelschapsdieren en wat betreft gynaecologie van het rund bij collega Aart de Kruif.

Besturen

In zijn praktijkjaren raakt Ton bestuurlijk meer en meer betrokken bij de KNMvD (Afdelingsbestuur, Groep Practici Grote Huisdieren, Stichting V-Data). In 1986 wordt hij benaderd voor de functie van Directeur bij de Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Brabant en na de fusie Zuid-Nederland. Dat doet hij zes jaar. Vervolgens is hij van 1992 tot 2001 op hoofddirectieniveau actief bij Cehave-Encebe en Dumeco. In de periode 1999 tot 2006 is Ton voorzitter van de KNMvD. Vanaf 2004 vervult Ton ad interim nog twee directiefuncties bij respectievelijk Brameco Zon en bij de Animal Sciences Group WU en Research Centre te Lelystad.Het gaat in dit kader te ver om al zijn nevenfuncties te vermelden. We beperken ons tot de melding dat Ton bestuurlijk actief is geweest bij de Rabobank en andere organisaties in de agrarische sector. Van de Stichting Pensioenfonds voor Dierenartsen (SPD) is hij acht jaar voorzitter geweest en negen jaar voorzitter ven de beleggingsadviescommissie. In de Unie van Beroepspensioenfondsen en de Pensioen Federatie heeft hij ook een rol van betekenis kunnen spelen. Persoonlijk beschouwt hij de werkzaamheden voor het pensioenfonds als zijn moeilijkste taak.

Het KNMvD-voorzitterschap

Ton vertelt: “Ik heb als KNMvD-voorzitter veel energie gestoken in het optimaliseren van de verhoudingen met de faculteit, het Ministerie, de AUV en de Fidin. Verder waren er belangrijke thema’s zoals arbeidsongeschiktheid, beroeps-
integriteit, I&R-gezelschapsdieren en het EU non-vaccinatiebeleid. Als positieve resultaten zie ik de bestuurlijke kanteling van de KNMvD van regionaal naar disciplinair, het behoud van de Veterinaire Tuchtcolleges, het behoud van de Beroepspensioenregeling en de verhuizing van Utrecht naar Houten. Als dieptepunt noem ik het stranden van het kwaliteitsbeleid van de KNMvD met het opheffen van de Stichting Veterinair Kwaliteitsorgaan (VKO). Het bestuur heeft in dat verband destijds prioriteit moeten geven aan de continuïteit van de KNMvD.”

Veranderingen in de praktijkuitoefening

“Ik heb het gevoel dat de veranderingen vooral gekomen zijn door de ingrijpende verschuiving van grote naar kleine huisdieren. In mijn begintijd deden de praktijken gezelschapsdieren er maar een beetje bij. Dat veranderde snel. De Groep Gezelschapsdieren en het organiseren van de Voorjaarsdagen hebben de ontwikkeling een impuls gegeven. De eenmanspraktijk was in de jaren ‘50 en ‘60 nog de norm. Daarna kwamen er steeds grotere groepspraktijken waarbinnen specialisatie meer aan bod kwam. In deze eeuw heeft zich een verschuiving ingezet naar ketens waar dierenartsen in loondienst werken.”

Feminisatie van het beroep

“Toen ik afstudeerde was de verhouding ongeveer 90 procent man en 10 procent vrouw. Nu is dat ongeveer andersom. Mede als gevolg hiervan, maar ook door de veranderde tijd, wordt er nu ook veel meer in deeltijd gewerkt.”

Meer arbeidsongeschiktheid, lager inkomen en verminderde solidariteit

“Stijging van de arbeidsongeschiktheid speelde al in de periode dat ik KNMvD-voorzitter was. De MOVIR en Interpolis hadden daar grote zorgen over. Het speelde ook bij tandartsen, maar daar was het in tegenstelling tot de dierenartsen een probleem dat op veel latere leeftijd optrad. Ik vraag me af wat er mis is met ons vak. Je ziet ook steeds meer dat er collega’s emplooi proberen te vinden in niet-klinische disciplines en buiten het vakgebied. Ook constateer ik dat het gemiddelde inkomen aanzienlijk lager ligt dan in mijn praktijkjaren. Naar de oorzaken zou eens onderzoek moeten worden gedaan. Wat is ervoor nodig om in de pas te blijven met het inkomensniveau van vergelijkbare beroepsgroepen? De solidariteit tussen collega’s is evenzo verminderd, misschien mede door de bovengenoemde oorzaken. Dat ging al mis in
de maatschapscontracten waarin standaard werd opgenomen dat je uit de maatschap moest na twee jaar arbeidsongeschiktheid.
Dat wilde de KNMvD in mijn tijd aanpassen maar dat is niet gelukt.”

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen