Minder antibiotica, maar tot hoever?

Het Nederlandse beleid het antibioticagebruik in de veehouderij te verminderen was een groot succes. Sinds 2009 is afhankelijk van de sector een daling van 40 tot 74 procent gerealiseerd. De Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit heeft nieuwe benchmarkwaarden geïntroduceerd om een nog verdere reductie tot stand te brengen. Maar is dat inderdaad wenselijk? Wat zou dat betekenen voor de sectoren, voor de diergezondheid en voor mensen? Het eerste debat van de faculteit Diergeneeskunde werd gehouden op 28 juni 2018 en zowel dierenartsen als veehouders praatten mee over de toekomst van de veehouderij.

Ingrid Jansen, voorzitter van de Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV), zette de toon door te benadrukken hoe de overheid in samenspraak met de sectoren het beleid om antibiotica te verminderen heeft opgezet. “Daardoor was er draagvlak in de sectoren. We zijn de nadruk gaan leggen op curatief in plaats van preventief gebruik van antibiotica.” In 2017 is het antibioticagebruik in alle veehouderijsectoren zelfs weer verder gedaald.

Nieuwe benchmarkwaarden

Het nieuwe MARAN-rapport dat uitkwam in juni 2018 laat duidelijk zien dat de reductie van het antibioticagebruik leidt tot een verminderd voorkomen van resistente bacteriën. De strijd is echter nog niet gestreden, waarschuwt Dick Heederik, lid van het expertpanel van de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (SDa). “Bepaalde vormen van resistentie blijven nog steeds aanwezig. Dat ze niet verdwijnen, komt door de relatief kleine aantallen bedrijven waar nog veel en langdurig antibiotica worden gebruikt.” Hetty van Beers, directeur van de SDa, verklaart dat niemand een probleem maakt van de bedrijven die incidenteel antibiotica gebruiken. “Zij vormen de grootste piek in de curve en laten zien dat de meeste bedrijven een aanvaardbaar antibioticagebruik kunnen bereiken. In de ‘staart’ bevinden zich echter nog steeds bedrijven waar het gebruik gemiddeld hoog blijft en waarbij het sterk fluctueert. Er is dus een groot verschil in de mate van controle op het antibioticagebruik.” De nieuwe benchmarkwaarden die de SDa heeft opgesteld in het rapport ‘Het gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren in 2017’ hebben als doel deze te verminderen. In haar brief aan de Tweede Kamer van 26 juni 2018 geeft minister Schouten aan dat ze de aanbevelingen van de SDa wat betreft de nieuwe benchmarkwaarden overneemt. Heederik: “In de sectoren waarbij de meeste bedrijven slechts incidenteel antibiotica toepassen zien we de nieuwe benchmark als eindwaarde. In andere sectoren, zoals de vleeskalversector, vertonen nog veel bedrijven een hoger en sterk wisselend antibioticagebruik. Hier is de nieuwe benchmarkwaarde slechts een tussenstation. Waarschijnlijk zijn aanpassingen in de keten nodig om tot een voortdurend laag antibioticagebruik te komen.” De nieuwe benchmarkwaarden hebben als gevolg dat veehouders die tot nu toe veilig in het groene gebied zaten, nu in het rood terechtkomen. “Er komt natuurlijk een overgangsfase”, stelt Heederik. “Je krijgt heus de kans om je aanpak te veranderen. Maar als je over een paar jaar nog steeds in het rood zit, moet er wel iets gebeuren. Bedrijven die achterblijven, moeten worden aangesproken op hun tegenvallende prestaties.” Dat is niet alleen belangrijk voor de antibioticaresistentie, maar ook voor de goodwill van de veehouders die hard hun best doen. Het geldt trouwens niet alleen voor veehouders. Heederik: “De nieuwe benchmarksystematiek zal in de tweede helft van 2018 worden vertaald naar de dierenartsen.”

Wat is de ondergrens?

Tien jaar geleden vreesden pluimveehouders en varkenshouders nog dat door het verminderen van het antibioticagebruik hun productiviteit zou kelderen. In Denemarken zagen ze dat het anders kon en inderdaad heeft de grote reductie die in Nederland bereikt is, niet geleid tot een groot verlies aan productie. Microbioloog Jan Kluytmans, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht heeft daarvoor een verklaring: “Antibiotica zijn niet nodig als een dier gezond is. Dus zolang je je dieren gezond houdt, hoef je nooit antibiotica te gebruiken en blijft je productie op peil.” In Nederland is de antibioticaresistentie volgens hem redelijk onder controle. “Bij ons zijn op veel veehouderijbedrijven geen ESBL’s meer te vinden. België loopt daarbij achter, daar is de handschoen pas veel later opgepakt. We kunnen onze patiënten dus nog altijd behandelen, maar daar moeten we hard aan werken. Zo proberen we de hygiëne te verbeteren en het antibioticagebruik te verlagen.” Kluytmans meent dat het antibioticagebruik zowel in de humane geneeskunde als in de veehouderij nog veel verder kan worden teruggedrongen. “Het minimum ligt gewoon heel laag. Een gezond mens hoeft namelijk slechts bij hoge uitzondering antibiotica te krijgen.” Jansen betoogt dat niet alleen humaan, maar ook in de veehouderij antibiotica altijd nodig blijven. “In 2016 riep de Raad voor Dieraangelegenheden nog op tot meer aandacht voor dierenwelzijn in het antibioticabeleid. Want als je zieke dieren geen goed werkende antibiotica mag geven, raakt het dierenwelzijn aangetast. We bevinden ons steeds meer op dat snijvlak. De veehouder wil ook in de toekomst zieke dieren gewoon kunnen blijven behandelen.”

Wellicht dat alternatieven beschikbaar komen voor behandeling met antibiotica, zoals de toepassing van bacteriofagen. Vaccins kunnen voorkomen dat dieren ziek worden. Hoe dan ook, dierenarts Gerard van Eijden vindt niet dat dierenwelzijn een argument moet zijn om ondergrens voor antibioticagebruik vast te stellen: “Ook dierenwelzijn is het resultaat van een keuze voor een dierhouderijsysteem, niet van het wel of niet gebruiken van geneesmiddelen. Veehouders kiezen bewust of onbewust voor een situatie waarbij ze antibiotica moeten gebruiken. Denk in de varkenshouderij aan het mengen van dieren. Ook hun keuze voor een bepaalde dierenarts beïnvloedt hun antibioticagebruik. We weten dat er dierenartsen zijn die veel antibiotica voorschrijven en dierenartsen die weinig voorschrijven.” Van Eijden pleit ervoor dat dierenartsen hun veehouders zo begeleiden in het maken van keuzes dat ze geen antibiotica

nodig hebben. “Elke keer als we een ziek dier behandelen, moeten we nadenken hoe we dat in de toekomst kunnen voorkomen.” Vaccineren is volgens hem geen definitieve oplossing. “Varkenshouders die veel vaccineren blijven de diergezondheid nog steeds uit een potje halen. Daarom zijn de toenmalige veelgebruikers van antibiotica nu veelvaccineerders geworden. Antibiotica en vaccins helpen tekortkomingen in de varkenshouderij te maskeren. Een hoge graad van diergezondheid ontstaat niet door diergeneesmiddelen, maar door goed management.”

Nieuwe houderijsystemen

Het lijkt erop dat de houderijsystemen bepalen wat de te bereiken ondergrens van het antibioticagebruik kan zijn. “De systemen beperken nu nog de keuzemogelijkheden van de individuele veehouder”, aldus Rens van Dobbenburgh van de FVE. “We moeten echter niet accepteren dat er nu eenmaal een ondergrens is, maar met elkaar gaan werken aan nieuwe systemen.” Professor Dik Mevius valt hem bij: “We moeten naar een veehouderij waarbij we sturen op de gezondheid van dieren in plaats van bezig te zijn met het blussen van brandjes.” Andere houderijsystemen zijn niet alleen nodig om het antibioticagebruik te verminderen. Antibioticaresistentie staat niet op zichzelf. Andere thema’s die steeds belangrijker worden, zijn de belasting van het milieu en het dierenwelzijn. Dezelfde aanpassingen die daarvoor nodig zijn, zullen ook het antibioticagebruik verminderen. “Denk aan de dreiging van de Afrikaanse varkenspest”, suggereert Kluytmans. “Om uitbraken daarvan te voorkomen, moeten varkenshouders strenge hygiëne in acht houden.”

Professor Theo Lam geeft een voorbeeld uit de melkveehouderij. “Onze uitdaging is de behaalde resultaten vast te houden en antibioticagebruik bij jongvee nog verder te verminderen. In Wageningen loopt nu onderzoek naar lactatie op maat, zodat we de koeien zonder droogstand kunnen doormelken, zoals dat bij geiten al gebeurt. Daardoor is er ook minder antibiotica nodig.” Het verminderen van

antibiotica gebruik kan zelfs tot een verbetering van de diergezondheid zorgen. “Het is gebleken dat het weglaten van preventief antibioticagebruik bij het droogzetten leidde tot een afname van uierontsteking, want veehouders hadden meer aandacht voor de uiergezondheid en deden meer voor de hygiëne.” Een ander mooi voorbeeld is hoe het opkweken van langzamer groeiende kippen in de pluimveesector heeft geleid tot een halvering van het  antibioticagebruik. Dit nieuwe systeem wordt uiteindelijk betaald door de consument. Varkensdierenarts Arie van Nes vindt dat de diergeneeskunde terug moet naar het principe dat gezonde dieren niet worden behandeld. “Het wordt tijd dat we afstappen van koppelbehandeling. Als 10 procent van de dieren ziek is en we behandelen het hele koppel, dan is 90 procent van de antibioticatoediening ondoelmatig. Koppelbehandeling vindt meestal plaats via het voer of het water en zieke dieren eten en drinken minder dan gezonde, dus het is toch al inefficiënt.” Nieuwe houderijsystemen kunnen echter tot nieuwe spanningsvelden leiden, waarschuwt Jansen. “De Partij voor de Dieren wil bijvoorbeeld niet dat de veehouderij de kant opgaat van de zogenoemde ‘laboratoriumstallen’, maar het afschermen van dieren is wel nodig voor de vermindering van antibiotica- gebruik.” Veehouders zullen moeten zoeken naar manieren om in contact te blijven met de maatschappij, zonder de hygiëne van stallen te compromitteren. Oplossingen zijn bijvoorbeeld het aanbrengen van ramen in de stal. Alleen bij buitenhuisvesting zijn risicofactoren niet uit te sluiten.

De rol van de dierenarts

Jeanette van der Ven, melkgeitenhouder en portefeuillehouder gezonde dieren bij LTO, denkt dat dierenartsen bij deze transitie een nog grotere rol kunnen spelen. “Als veehouder wissel je vaker van voerleverancier dan van dierenarts. Dus de dierenarts heeft een belangrijke positie. Maar die wordt heel verschillend ingevuld, afhankelijk van de dierenarts.” En vaak schieten dierenartsen in haar ogen tekort. “Dierenartsen lopen bijvoorbeeld niet storm om mee te werken aan benchmarking. Ook was er weinig animo van dierenartsen voor het project ‘Gezonde partners’ van LTO.” In dit project zouden boeren en dierenartsen afspraken maken over de te behalen diergezondheidsdoelen en de betaling zou deels afhankelijk zijn van de resultaten. “Dierenartsen willen hier niet aan, maar dit is wel een voorloper van de ‘Dierenarts 2.0’.” Van der Ven ziet dat voerleveranciers wel in de adviesrol stappen en de veehouder van informatie voorzien over onder andere huisvesting, maar ook over diergezondheid. Haar advies aan dierenartsen is: “Pak uw rol als strategisch adviseur. Je moet een ‘kritische vriend’ van de boer willen zijn. Dus moet je ook iets durven te zeggen over bijvoorbeeld hokbezetting of bedrijfsmanagement.”

Heeft u dit debat gemist? Op 4 december organiseert de faculteit haar tweede debat in de serie Toekomst van de Veehouderij met thema: Dierwelzijn en -gezondheid van Landbouwhuisdieren

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen