Neem bij bijtwonden altijd contact op met de huisarts

Het gebeurt wel eens in de praktijk dat een dierenarts, een cliënt of iemand van het personeel gebeten wordt. Daarnaast melden eigenaren die gebeten zijn zich soms eerst bij de dierenarts. Hoe handel je in zo’n geval? Huisarts Iris Wichers, wetenschappelijk medewerker bij het Nederlands Huisartsen Genootschap, vertelt over de humane behandelrichtlijnen bij bijtwonden.

Richtlijn

Jaarlijks melden ongeveer vijf op de duizend patiënten zich bij de huisarts met een bijtwond, vertelt Wichers. Vrouwen worden vaker gebeten dan mannen. Honden veroorzaken de meeste bijtwonden (60-90%) gevolgd door katten (5-20%). Bij bijtwonden wordt onderscheidt gemaakt tussen prikbijtwonden, kneusbijtwonden, en scheurbijtwonden. Honden veroorzaken vaker scheur- of avulsiewonden, terwijl katten eerder prikwonden veroorzaken en paarden kneuswonden. De richtlijn adviseert als iemand zich bij de huisarts meldt met bijtwonden om eerst te kijken of er sprake is van spoed (bijvoorbeeld een arteriële bloeding). Bij de anamnese wordt geadviseerd navraag te doen of er sprake kan zijn van blootstelling aan toxine (bijvoorbeeld door slangen). Verder wordt bijvoorbeeld gekeken of de patiënt tot een risicogroep behoort, wat een indicatie kan zijn voor antibioticaprofylaxe en tetanusvaccinatie.

De bijtwond dient gespoeld te worden met lauwwarm water en debris moet zoveel mogelijk verwijderd worden, vertelt Wichers. “Uit onderzoek blijkt dat mechanische reiniging het meest effectief is.” Gebruik van ontsmettingsmiddelen wordt afgeraden omdat het geen meerwaarde lijkt te hebben en minder patiëntvriendelijk is. Tenzij er een risico is op rabiës, dan wordt de wond langdurig gespoeld en vervolgens gedesinfecteerd met alcohol 70 procent. Na het spoelen worden niet gehechte wonden afgedekt met een zalfgaas. Wichers: “Het voordeel is dat deze niet aan de wond plakt.” Nat verband, jodium- en honinggaas wordt ontraden. “Deze hebben geen meerwaarde. Jodium mag bovendien niet worden gebruikt bij zwangere vrouwen. Een nat verband geeft maceratie van de huid, waardoor het later lastig te beoordelen is of een wond ontstoken is. Om diezelfde reden mag de wond ook niet geweekt worden.”

Infectierisico

Het is niet bekend hoe vaak bijtwonden tot wondinfectie leiden in Nederland. Risicofactoren voor het ontstaan van een wondinfectie zijn bijvoorbeeld het type wond: prikbijtwonden geven een hoger risico op infectie, doordat ze diep en moeilijk te reinigen zijn. Katten- en mensenbeten leiden vaker tot infectie. Evenals bijtwonden aan de hand en arm of in de buurt van bot of pezen. “Wondinfectie wordt veroorzaakt door verschillende bacteriën uit de mondflora”, zegt Wichers. Bij honden en katten is dit vaak een combinatie van aerobe en anaerobe bacteriën zoals Pasteurella, Streptokokken en Stafylokokken. Daarnaast is er een risico op infectie met Clostridium tetani. Bijtwonden met een laag risico op infectie kan een arts vanuit cosmetische overwegingen hechten, bijvoorbeeld een beet in het gezicht. Wonden die ouder zijn dan acht uur of prikbijtwonden, worden in principe niet gehecht. Wichers: “Er zijn een aantal onderzoeken die laten zien dat het primair sluiten van een hondenbeet de infectiekans niet vergroot ten opzichte van niet sluiten. Echter de onderzoeken hadden grote methodologische tekortkomingen en gezien de consequenties van infectie, heeft de werkgroep geen strikte aanbevelingen hierover kunnen geven. De huisarts moet zelf de afweging maken tussen het risico op infectie en het cosmetisch belang.” Alle bijtwondinfecties en bijtwonden bij risicogroepen, bijvoorbeeld immuungecompromiteerde mensen, worden (preventief) behandeld met antibiotica. Amoxicilline/clavulaanzuur is de eerste keus, vanwege het brede spectrum en de goede anaerobe dekking. Bij penicilline overgevoeligheid worden volwassenen en kinderen boven de acht behandeld met Doxycycline. Kinderen jonger dan acht krijgen Clindamycine, in verband met (permanente) tandverkleuring die Doxycycline kan veroorzaken.

Profylaxe

Antibioticaprofylaxe is enkel geïndiceerd bij mensen- en kattenbeten, legt Wichers uit. “Uit een meta-analyse blijkt dat profylactische antibiotica na een hondenbeet weinig tot geen effect heeft op infectiepreventie. Mede gezien de nadelen van antibiotica, zoals bijwerkingen en de bijdrage aan de resistentieproblematiek, wordt daarom na hondenbeten geen antibioticaprofylaxe gegeven.” Bij katten werd in sommige studies wel een significant verschil gevonden, vertelt Wichers. “Mogelijk leiden kattenbeten sneller tot infectie omdat ze dieper zijn.” Verder wordt antibioticaprofylaxe gegeven bij bijtwonden aan de hand, pols, been, voet, genitaliën of gelaat. zegt Wichers. “Datzelfde geldt voor het gelaat en genitaliën. Echter een infectie in dit gebied is dermate beschadigend, dat in dit geval voor de zekerheid wel antibiotica geadviseerd wordt.” Gebieden met veel pezen, zoals hand, pols en voet lopen ook een hoger risico op infectie. Evenals de lagere extremiteiten. Diepe prikbeten en kneusbijtwonden worden profylactisch behandeld. Scheurbijtwonden niet. Wichers:  “Er is maar beperkt onderzoek gedaan naar het risico op infectie bij verschillende wondtypes. Beschadigd weefsel ten gevolge van een kneusbijtwond is lastig te verwijderen, daarom wordt geadviseerd profylactisch met antibiotica te behandelen.”

Wichers benadrukt dat het altijd verstandig is om met een bijtwond contact op te nemen met de huisarts. “Mensen trekken niet altijd zelf aan de bel.” Een enkele keer kunnen op het eerste oog relatief onschuldige wonden volgens haar soms wel ernstige gevolgen kunnen hebben. “Ik herinner me een casus in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van iemand die door een kat gekrabd was. Deze persoon had geen milt meer en eindigde uiteindelijk op de intensive care met multi-orgaanfalen. Het is een extreem voorbeeld, maar je moet er wel op beducht zijn. Zeker bij immuun-gecompromiteerde mensen.”

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen