Rotavirus rundervaccin toepassing bij varkens

Rotavirus wordt veelvuldig aangetoond bij zogende biggen met diarree in de kraamstal. Diarree leidt soms tot sterfte en bij andere dieren tot verminderde groei en daardoor tot negatieve economische gevolgen voor de varkenshouder. Tot op heden is geen vaccin in Nederland geregistreerd ter preventie van een rotavirusinfectie bij biggen. Doorloopt een big eenmaal de infectie, is hiertegen weinig te doen. De therapie bestaat uit symptomatische behandeling om de negatieve gevolgen van de opgetreden diarree te bestrijden. Het rotavirus wordt oraal opgenomen door de jonge big en na passage van de maag, komt het virus terecht in de ileum en jejunum. Op darmniveau zorgt de infectie voor schade omdat de darmwand dunner wordt, de villi onvolgroeid blijven en verkort worden en de cellen overgaan in kubusvormig epitheel. Door de schade van de infectie is er een netto secretie van water het darmlumen in. Tevens wordt het co-transport van glucose en natrium vanuit de darm belemmerd door het wegvallen van deze transporters. Ook enzymen voor de vertering van suikers zijn door het wegvallen van de ‘brush borders’ op de enterocyten minder aanwezig, waardoor vertering en vervolgens opname van glucose sterk verminderd wordt. Tevens wordt door schade aan de enterocyten mede schade toegebracht aan de tight-junctions tussen de cellen. Deze schade zorgt voor een verminderde permeabiliteit van de darmwand en daarmee een verminderde passieve opname van voedingsstoffen en elektrolyten. (Lundgren et al, 2001). De schade aan de darmwand resulteert in diarree en verminderde opname van voedingsstoffen waardoor de biggen slechter groeien.

Hoofdvraag

Een goede behandeling tegen Rotavirusinfectie bij biggen is tot op heden niet voorhanden. De oplossing voor de infectie moet worden gezocht in het voorkomen ervan, bijvoorbeeld middels hygiënemaatregelen. Een vaccin met Nederlandse of Europese registratie is op dit moment in Nederland niet beschikbaar, daarom wordt op enkele bedrijven het vaccin tegen Rotavirus bij runderen ingezet. Het toepassen van een vaccin voor een ander doeldier is cascadegebruik en mag daarom uitsluitend door een dierenarts. Hierover is in het verleden een tuchtzaak gevoerd. We wilden nagaan of het zinvol is het vaccin tegen rotavirusinfecties bij runderen in te zetten bij varkens.

Uitwerking

De in Nederland geregistreerde vaccins voor runderen zijn ROTAVEC® CORONA (MSD animal health) en LACTOVAC (Zoetis). De Rotastammen in deze vaccins zijn voor de ROTAVEC het bovine serotype G6 P5 (Bron bijlage B) en voor LACTOVAC de bovine serotypes G8 en G10 (Bron bijlage C). De vaccins zijn erop gericht de koe voor de partus te vaccineren, waardoor vervolgens immuniteit bij het kalf wordt verkregen door het opnemen van antilichamen via de biest. Met het toepassen van deze vaccins bij varkens wordt getracht hetzelfde effect te verkrijgen als bij runderen. De zeug moet door de vaccinatie antilichamen gaan produceren welke vervolgens worden uitgescheiden in de biest. De hypothese is dat de big door opname van de biest immuniteit heeft voor een Rotavirusinfectie. In 2005 hebben Van der Heide et al. in kaart gebracht welke virusstammen van het rotavirus in Nederland een rol spelen. Zij kwamen tot de conclusie dat in Nederland met name het serotype P6 G4 en het serotype P7 G3 een rol spelen in de Nederlandse varkenspopulatie (Van der Heide et al., 2005). Ook is mondiaal onderzocht welke serotypes een rol spelen bij varkens. De gevonden serotypes bij varkens zijn G3, G4, G5, G9, en G11 in samenhang met P6 of P7 (Papp et al., 2013). Crouch et al. hebben een proef gedaan naar de effectiviteit van een Rotavaccin met een ander type dan het doeldier. Zij kwamen tot de conclusie dat een humaan vaccin toegediend bij varkens de dieren wel beschermde tegen de klinische ziekte, maar er niet voor zorgde dat de big geen virusdeeltjes uitscheidde. Deze matige kruisbescherming wordt toegewezen aan het feit dat de serotypes van het rotavirus verschillen. Kruisimmuniteit treedt alleen op als de serotypes gelijk zijn aan elkaar. (Crouch et al., 1985). Gaul et al. toonde aan dat biggen die eerst gechallenged zijn met bovine types van het Rotavirus, niet immuun waren tegen de porcine stammen van het rotavirus. De onderzoekers concluderen dat kruisimmuniteit nagenoeg niet optreedt tussen de verschillende serotypes van het Rotavirus. Voor de ontwikkeling van vaccins moet daarom per doeldier het serotype bepaald worden (Gaul et al., 1982).

Conclusie

Op basis van de huidige beschikbare literatuur, kan worden geconcludeerd dat de serotypes welke een rol spelen bij een Rotavirusinfecties bij biggen verschillen van de serotypes in de rundervaccins. Experimenten waarbij de effectiviteit van een vaccin met een ander serotype dan het doeldier zijn gebruikt, blijken niet succesvol. Ook blijkt dat bij biggen die gechallenged zijn met bovine types, geen immuniteit optreedt tegen de porcine virustypes. Met de huidige stand van zaken lijkt het onwaarschijnlijk dat het in Nederland geregistreerde rundervaccin tegen Rotavirusinfecties bij biggen bescherming zal bieden tegen een infectie. Hoewel hier tot dusverre geen onderzoek naar uit is gevoerd, is het aan te bevelen om hier een proef naar te doen. Om meer zekerheid te verkrijgen, is het aanbevolen om een gerandomiseerd onderzoek met controlegroep te verrichten. Hiervoor zal een goed opgezette proefopzet moeten worden bedacht in samenwerking met veehouder, dierenarts, onderzoeker en tevens dienen resultaten met de juiste statistische technieken te worden onderzocht.

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen