Starten met een planmatige aanpak van klauwgezondheid

Menno Holzhauer1,2 en Ryan van Egmond1

1 Royal GD, Deventer, 2corresponding auteur: m.holzhauer@gddiergezondheid.nl

Kreupelheid bij melkkoeien wordt voornamelijk veroorzaakt door klauwproblemen (64), hoewel incidenteel andere aandoeningen voorkomen zoals een artritis (veroorzaakt door bijvoorbeeld een mycoplasma-infectie). Onderzoek van de Universiteit van Liverpool (2018) vond een gemiddelde prevalentie van kreupelheid van 31,6 procent (SD 13,9%; spreiding 5,8-65,4%) gevonden. Dit is in lijn met eerdere onderzoeken in ons eigen land (4,23; GD-onderzoek 2018). Hieruit blijkt dat de laatste 25 jaar bij het verbeteren van de klauwgezondheid op melkveebedrijven slechts een geringe vooruitgang geboekt is.

Klauwaandoeningen kunnen worden onderscheiden in infectieuze en niet-infectieuze klauwaandoeningen, respectievelijk IKA en NIKA. Een andere term voor NIKA is tegenwoordig ‘Claw Horn Disruption’ (CHD). IKA is voornamelijk gerelateerd aan infecties van de huid van de onderpoten, terwijl CHD gerelateerd is aan schade aan het klauwhoornweefsel. De kans op het ontwikkelen van IKA en CHD wordt veroorzaakt door een combinatie van factoren, voortkomend uit een samenspel van genetica, voeding, huisvesting en management (6,11,15,25,29,58,60,65,66). Kennis van de risicofactoren in combinatie met uitkomsten van verschillende interventiestudies, moeten kunnen leiden tot goede adviezen waardoor het risico op klauwaandoeningen en kreupelheid op melkveebedrijven afneemt (26,27,28,31,33,52,59,62,69). Hoewel het algemeen bekend is dat met registratie en analyse van de klauwaandoeningen inzicht wordt verkregen in het bedrijfsprobleem, lijkt dit in de praktijk nog (te) weinig te gebeuren. Onder andere door het niet consequent analyseren van de klauwproblemen is het moeilijk een kwalitatief goed advies te formuleren. Sinds kort bestaat er naast analyse van klauwgezondheidsaandoeningen op een bedrijf de mogelijkheid om via tankmelkonderzoek van bepaalde spoorelementen (zink en mangaan), vitamines (biotine) en de hoeveelheid antistoffen tegen Treponema spp. klauwgezondheid op bedrijfsniveau nog beter te monitoren. Ondanks al deze informatie blijkt het niet eenvoudig het klauwgezondheid advies bij de veehouder te laten landen zodat hij ook werkelijk tot actie overgaat.
Naast een kwalitatief goed advies is effectieve communicatie en het stellen van doelen tussen de adviseur en de veehouder essentieel om veranderingen in de bedrijfsvoering te bewerkstelligen (3,16,49). Het klauwgezondheidadvies en de implementatie in de meeste westerse landen is vaak nog gebaseerd op twee of drie onderwerpen, zoals het (on-)regelmatig gebruik van een doorloopvoetbad, strategisch of twee keer per jaar bekappen en soms afvoer van koeien. Met deze beperkte aanpak doen we onze melkveehouders en hun melkvee duidelijk tekort, omdat er veel meer mogelijk is om de klauwgezondheid op bedrijfsniveau te verbeteren.

Het belang van de communicatie strategie
Naast beter inzicht in de etiologie en pathogenese van zowel IKA als CHD, is een goede communicatie tussen de bedrijfsadviseur en veehouder van groot belang om de veehouder te motiveren de geadviseerde maatregelen daadwerkelijk te implementeren (16,49). In twee recente onderzoeken vanuit Zweden en het VK is gekeken naar verschillende stijlen van communicatie (directief versus motiverend). De directieve communicatie past goed als een veehouder vraagt een ziek dier te behandelen. De klantbehoefte is in dit geval duidelijk: wat moet ik doen om het probleem op te lossen? Bij bedrijfsproblemen waar een plan nodig is, past een motiverende communicatiestijl (MC). Deze communicatiestijl is gericht op het faciliteren van de interne motivatie van de geadviseerde persoon om te veranderen. Factoren die bij MC van belang zijn in positieve zin zijn onder andere een gedegen kennis van het onderwerp, inlevingsvermogen, begrip voor de bedrijfsomstandigheden en goede cliëntgeoriënteerde communicatie (57). Andere positieve variabelen die de bereidheid om aanbevelingen op te volgen versterken, zijn: meer georganiseerde veterinaire consulten en het frequent/regelmatig bespreken van bedrijfsgegevens. Daarnaast is er een negatief verband aangetoond tussen geringe interactie van de veehouder met de dierenarts en dominantie van de dierenarts tijdens het bedrijfsbezoek. Uit onder andere humaan onderzoek blijkt dat respect voor de ervaringen en meningen van cliënten, evenals een gedeelde besluitvorming (consensus), de kwaliteit van het bezoek kan verbeteren (1,54). Tevredenheid over communicatie is belangrijk voor het vergroten van de motivatie en het opvolgen van de adviezen. Het stellen van open vragen en doorvragen en empathisch vermogen van de adviseur dragen bij aan het achterhalen van de werkelijke drijfveren van het handelen van de veehouder en is daardoor direct gekoppeld aan tevredenheid van de veehouder (35,50). Veehouders die verklaarden dat ze regelmatig een gesprek met hun dierenarts aan de keukentafel voerden, waren meer gemotiveerd en bereid veterinair advies op te volgen. Dierenartsen zouden deze keukentafelgesprekken een vast onderdeel van de veterinaire bedrijfsbegeleiding kunnen maken om op deze manier hun kennis beter tot waarde te brengen voor de veehouder. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de ervaringen, mogelijkheden en meningen van de veehouders. Die moet men meenemen in het uiteindelijke advies. De uiteindelijke besluitvorming dient op basis van consensus te worden genomen. Door rekening te houden met de kennis, wensen en mogelijkheden van de veehouder zal de acceptatie tot implementatie toenemen (1,54). Veehouders zijn meer genegen om een advies over te nemen als de dierenarts op de hoogte is van de belangrijkste doelen van de melkveehouder (15) en deze kennis gebruikt bij het formuleren van zijn uiteindelijke advies. Op deze manier zal een technisch goed advies gebaseerd op wetenschappelijke studies beter worden overgenomen door de veehouder (56). Deze wetenschappelijke bevindingen geven aan dat dierenartsen en andere adviseurs hun voordeel kunnen doen met kennis over communicatiestijlen om op die manier hun kennis meer tot waarde te brengen. Het is tevens belangrijk dat een adviseur zich realiseert dat bij het tot stand komen van de uiteindelijke beslissing van de veehouder om tot actie over te gaan ook verschillende andere personen een rol kunnen spelen. Door deze beïnvloeders goed in beeld te hebben en indien gewenst deze te betrekken bij de advisering en/of implementatie van het advies zal de kans op het behalen van de gestelde doelen toenemen. Ook externe factoren (onder andere voeding, huisvesting) spelen natuurlijk een rol bij het verbeteren van de klauwgezondheid. Dus samenwerken met andere adviseurs zoals de voeradviseur kan daarbij van belang zijn om de uiteindelijke verbetering van de klauwgezondheidsituatie op een bedrijf te bewerkstelligen. Veehouders in Nederland geven aan, dat afhankelijk van de klacht, ze hun informatie over klauwgezondheid bij verschillende spelers in de markt ophalen (intern GD-onderzoek,
140 2017).
Er is behoefte aan een duidelijke adviseur met kennis van klauwgezondheid die een belangrijke intermediaire rol kan spelen in de verbetering van de klauwgezondheid op melkveebedrijven. Mede gezien de onafhankelijkheid van de dierenarts biedt dit kansen voor dierenartsen die zich willen profileren op dit gebied.

De planmatige aanpak
De belangrijkste vraag is hoe we al onze kennis over klauwgezondheid tot waarde kunnen brengen ten voordele van de melkkoeien, de veehouders en de samenleving als geheel. De juiste manier van communicatie tussen de adviseur en de veehouder blijkt van belang om de gegeven adviezen ook daadwerkelijk door de veehouder geaccepteerd en geïmplementeerd te laten worden (16, 49). Kennis van de bedrijfsdoelstellingen van de veehouder en goede communicatie blijkt een positieve invloed te hebben op de relatie tussen dierenarts en veehouder en de kwaliteit van het veterinaire consult (16,24). Onvoldoende kennis van de doelstellingen maakt het moeilijk een goed en passend advies te geven, met als gevolg dat de naleving door de veehouder minder goed zal zijn (56). Het bespreken van een plan om de klauwgezondheid op het bedrijf te verbeteren als een vast onderdeel van de bedrijfsbegeleiding is voor de veehouder meer waardevol dan losse goed bedoelde adviezen tijdens andere werkzaamheden. Het is duidelijk dat kreupelheid een multifactorieel en complex probleem is, waarbij een gestructureerde aanpak gewenst is. Het bespreken van een plan kan resulteren in een overeenkomst over hoe de verbetering van de klauwgezondheid op het bedrijf in het koppel kan worden bereikt.

Informatie verzamelen
De financiële schade van klauwaandoeningen is in 2011 berekend op gemiddeld 81 euro per koe/jaar. Dit kwam voor een gemiddeld Nederlands bedrijf neer op een schadepost van 8100 euro per jaar (10). Dit onderzoek dateerde echter uit de periode dat in Nederland de productie gereguleerd werd door het melkquoteringssysteem. De schade door het verlies aan melkproductie veroorzaakt door klauwaandoeningen werd hierdoor minder zwaar doorberekend. Daarnaast zijn de criteria voor afvoer van kreupele koeien de laatste jaren aangescherpt zodat minder van deze koeien in aanmerking komen voor de slacht. In de huidige marktsituatie van de melkveehouderij zal door verlies aan melkproductie en het niet kunnen afvoeren van kreupele koeien de totale schade dus fors hoger zijn dan in het onderzoek uit 2010 (17).
Tegenwoordig registreert op het moment van preventief klauwverzorgen slechts een klein percentage van de bedrijven klauwaandoeningen via een centrale website (Digiklauw, CRV Arnhem) en een onbekend percentage registreert zelf. Een nog beperkter aantal veehouders analyseert en bespreekt daarbij de uitkomsten van deze registraties met de adviseurs (Holzhauer, persoonlijke observatie). Het de uitdaging voor de adviseur om een kwalitatief goed advies over klauwgezondheid ook geaccepteerd te krijgen door de veehouder. Door gebruik te maken van alle beschikbare informatie zoals registratie van de voorkomende klauwaandoeningen op het bedrijf en een tankmelktest, kan gericht een kwalitatief goed advies geformuleerd worden.
Sinds begin 2019 is het mogelijk om via tankmelkonderzoek van GD op koppelniveau inzicht te krijgen in de DD infectiedruk en de voorziening van de mineralen Zn en Mn en de vitamine biotine. Naast het aantal geregistreerde aandoeningen op een bedrijf kan deze tankmelkuitslag extra informatie geven waarmee u de klauwgezondheid op een bedrijf kunt verbeteren. Mocht er onvoldoende informatie over de klauwgezondheidsituatie beschikbaar zijn dan is het van belang deze eerst te verzamelen alvorens tot het opstellen van een verbeterplan en advies over te gaan. Zonder goede informatie over de klauwgezondheidsituatie op een bedrijf is het namelijk onmogelijk een goed advies te geven.
Naast inzicht in de incidentie is de manier van communiceren bij ingewikkelde bedrijfsproblemen van belang om een technisch correct advies geïmplementeerd te krijgen door de veehouder. Uit onderzoek blijkt dat veel dierenartsen zich in de communicatie met de veehouder dominant gedragen (directieve communicatie) en zonder voldoende de verwachtingen en behoefte van de veehouder te onderzoeken tot een advies komen. Veel dierenartsen blijken van origine gefocust te zijn op het stellen van een diagnose en behandeling wat prima past bij de behandeling van zieke dieren. Echter als diergezondheidadviseur die bedrijfsproblemen zoals klauwgezondheid wil verbeteren, past deze benadering minder goed. Als bedrijfsadviseur blijkt een motiverende communicatiestijl het meest effectief. Uit onderzoek is gebleken dat dierenartsen moeite hebben met het adviseren van veehouders, met name bij het initiëren van een gedragsverandering om tot verbetering te komen. Uiteindelijk is een advies alleen effectief als het door de veehouder wordt geïmplementeerd, een proces dat waarschijnlijk alleen zal plaatsvinden als ze de relevantie ervan waarderen, en als het advies duidelijk aansluit bij hun doelen. Inzicht van de adviseurs in de doelen, prioriteiten, respecteren van de kennis en mogelijkheden van de veehouders (19,63) vergroten de kans op acceptatie en implementatie van het advies. Dit zorgt er tevens voor dat de adviseur zijn kennis beter tot waarde kan brengen voor de veehouder en zijn vee.

Het zeven punten-plan
Om adviseurs die zich willen toeleggen op bedrijfsadvisering is er een zeven punten-plan ontwikkeld ter ondersteuning van een gestructureerde aanpak van de klauwgezondheid op melkveebedrijven. Dit zeven punten- plan klauwgezondheid is ontwikkeld in navolging van de succesvolle vijf en later tien punten-plannen voor uiergezondheid (bijvoorbeeld 20,42) en vruchtbaarheid (36). Door het gebruik van een aantal standaardpunten kan per bedrijf worden gekeken welke punten relevant zijn voor de specifieke bedrijfssituatie om de klauwgezondheid te verbeteren. Het zeven punten-plan klauwgezondheid is gebaseerd op de huidige inzichten en beschikbare wetenschappelijke literatuur over klauwgezondheid. Het plan geeft richting aan de klauwgezondheidsadvisering en zorgt er voor dat alle relevante factoren besproken en geïmplementeerd kunnen worden zodat een structurele verbetering mogelijk is. Voor zover wij weten is dit de eerste keer dat een dergelijk klauwgezondheidsplan wordt gepresenteerd als een ondersteunend hulpmiddel voor adviseurs om met de veehouder aandacht te besteden aan verbetering van de klauwgezondheid op zijn bedrijf.

Literatuur:
1. Adams CL and Kurtz S. 2012. Coaching and feedback: enhancing communication teaching and learning in veterinary practice settings. J. Vet. Med. Educ. 39, 217-28.

2. Ahrens F, Platz S, Link C, Mahling M, Meyer HH and Erhard MH. 2011. Changes in hoof health and animal hygiene in a dairy herd after covering concrete slatted floor with slatted rubber mats: a case study. J. Dairy Sci. 94, 2341-50.

3. Bard AM, Main D, Roe E, Haase A, Whay HR and Reyher KK. 2019. To change or not to change? Veterinarian and farmer perceptions of relational factors influencing the enactment of veterinary advice on dairy farms in the United Kingdom. J. Dairy Sci. 102, 10379–94.

4. Barkema HW, Westrik JD, van Keulen KAS, Schukken YH and Brand A. 1994. The effects of lameness on reproductive performance, milk production and culling in Dutch dairy farms. Prev. Vet. Med. 20, 249-259.

5. Barker ZE, Amory JR, Wright JL, Mason SA, Blowey RW and Green LE. 2009. Risk factors for increased rates of sole ulcers, white line disease, and digital dermatitis in dairy cattle from twenty-seven farms in England and Wales. J. Dairy Sci. 92, 1971-8.

6. Benz B. 2002. Elastische Beläge für Betonspaltenboden in Liegeboxenstallen. Ph.D. Thesis, Univ. Hohenheim, Germany.

7. Bergsten C, Åkerström F and Nyman A. 2019. Prevention of claw disorders by strategic maintenance trimming in relation to calving time. 20th Int. Symp and 12th Int. Conf. on Lameness in Ruminants 2019. Asakusa View Hotel: March 10-13TH, Tokio, Japan.

8. Bergsten C and Frank B. 1996. Sole haemorrhages in tied heifers in early gestation as an indicator of laminitis: effects of diet and flooring. Acta Vet Scand. 37, 383-94.

9. Biemans F, Bijma P, Boots NM and de Jong MCM. 2018. Digital Dermatitis in dairy cattle: The contribution of different disease classes to transmission. Epidemics. 23, 76-84.

10. Bruijnis MR, Hogeveen H and Stassen EN. 2010. Assessing economic consequences of foot disorders in dairy cattle using a dynamic stochastic simulation model. J Dairy Sci. 93, 2419- 32.

11. Capion N, Thamsborg SM and Enevoldsen C. 2008. Conformation of hind legs and lameness in Danish Holstein heifers. J. Dairy Sci.91, 2089-97.

12. Clegg SR, Carter SD, Birtles RJ, Brown JM, Hart CA and Evans NJ. 2016. Multilocus Sequence Typing of Pathogenic Treponemes Isolated from Cloven-Hoofed Animals and Comparison to Treponemes Isolated from Humans. Appl Environ Microbiol. 82, 4523-36.

13. Cook NB, Bennett TB and Nordlund KV. 2005. Monitoring indices of cow comfort in free-stall- housed dairy herds. J. Dairy Sci. 88, 3876-85.

14. Cook NB and Nordlund KV. 2009. The influence of the environment on dairy cow behaviour, claw health and herd lameness dynamics. Vet. J. 179, 360-9.

15. Cousins RJ. 1996. Zinc. Present Knowledge in Nutrition. Pp.: 293–306 in 7th ed. E. E. Ziegler and L. J. Filer, Jr., ed. ILSI Press, Washington, DC.

16. Derks M, van Woudenbergh B, Boender M, Kremer W, van Werven T, and Hogeveen H. 2013. Veterinarian awareness of farmer goals and attitudes to herd health management in The Netherlands. Vet. J. 198, 224-8.

17. Dolecheck KA, Overton MW, Mark TB and Bewley JM. 2019. Use of a stochastic simulation model to estimate the cost per case of digital dermatitis, sole ulcer, and white line disease by parity group and incidence timing. J. Dairy Sci. 102, 715-30.

18. Döpfer D, Holzhauer M and van Boven M. 2012. The dynamics of digital dermatitis in populations of dairy cattle: model-based estimates of transition rates and implications for control. Vet J. 193, 648-53.

19. Döpfer D, Koopmans A, Meijer F, Szakall I, Schukken Y, Klee W, Bosma RB, Cornelisse JL, van Asten AJ and ter Huurne AA. 1997. Histological and bacteriological evaluation of digital dermatitis in cattle, with special reference to spirochaetes and Campylobacter faecalis. Vet. Rec. 140, 620-3.

20. Down PM, Bradley AJ, Breen JE, Hudson CD and Green MJ. 2016. Current management practices and interventions prioritised as part of a nationwide mastitis control plan. Vet. Rec. 178, 449.

21. Gelfert CC and Staufenbiel R. 1998. Disorders in trace element status in cattle from the view of herd supervision. 1: Classical trace elements. Tierarztl Prax Ausg G Grosstiere Nutztiere. 26, 55-66.

22. Goff JP. 2018. Invited review: Mineral absorption mechanisms, mineral interactions that affect acid-base and antioxidant status, and diet considerations to improve mineral status. J Dairy Sci. 101, 2763-2813.

23. Griffiths BE, Grove White D and Oikonomou G. 2018. A cross-sectional study into the prevalence of dairy cattle lameness and associated herd-level risk factors in England and Wales. Front Vet Sci. 5: 65.

24. Jansen J, Renes RJ and Lam TJGM. 2010. Evaluation of two communication strategies to improve udder health management. J. Dairy Sci. 93, 604-12.

25. Heringstad B, Egger-Danner C, Charfeddine N, Pryce JE, Stock KF, Kofler J, Sogstad AM, Holzhauer M, Fiedler A, Müller K, Nielsen P, Thomas G, Gengler N, de Jong G, Ødegård C, Malchiodi F, Miglior F, Alsaaod M and Cole JB. 2018. Invited review: Genetics and claw health: Opportunities to enhance claw health by genetic selection. J. Dairy Sci. 101, 4801-21.13

26. Holzhauer M, Bartels CJ, van Barneveld M, Vulders C and Lam T. 2011. Curative effect of topical treatment of digital dermatitis with a gel containing activated copper and zinc chelate. Vet. Rec. 169, 555.

27. Holzhauer M, Bartels CJ, Bergsten C, van Riet MM, Frankena K and Lam TJ. 2012. The effect of an acidified, ionized copper sulphate solution on digital dermatitis in dairy cows. Vet J. 193, 659-63.

28. Holzhauer M, D. Döpfer D, de Boer J and van Schaik G. 2008. The influence of different intervention strategies on the incidence of (Papillomatous) Digital Dermatitis. Vet. Rec. 162, 41-6.

29. Holzhauer M, Hardenberg C, Bartels CJ and Frankena K. 2006. Herd- and cow-level prevalence of digital dermatitis in the Netherlands and associated risk factors. J. Dairy Sci. 89, 580-8.

30. Huxley J. 2019. The vicious circle; transforming our understanding of claw horn disease. European Bovine Congress 2019. Sept 11th-13th, s’Hertogenbosch, The Netherlands

31. Jacobs CJ, Orsel K, Mason S, Gray K and Barkema HW. 2017. Comparison of the efficacy of a commercial footbath product with copper sulfate for the control of digital dermatitis. J. Dairy Sci. 100, 5628-41.

32. Kester E, Holzhauer M and Frankena K. 2014. A descriptive review of the prevalence and risk factors of hock lesions in dairy cows. Vet. J. 202, 222-8.

33. Klawitter M, Döpfer D, Braden TB, Amene E and Mueller KE. 2019. Randomised clinical trial showing the curative effect of bandaging on M2-stage lesions of digital dermatitis in dairy cows. Vet. Rec. Open. 6, e000264.

34. Livesey CT, Harrington T, Johnston AM, May SA, and Metcalf JA. 1998. The effect of diet and housing on the development of sole haemorrhage, white line haemorrhage and heel horn erosion in Holstein heifers. Anim. Sci. 67, 9–16.

35. McArthur ML and Fitzgerald JR. 2013. Companion animal veterinarians’ use of clinical communication skills. Aust. Vet J. 91, 374-80.

36. McDougall S, Heuer C, Morton J and Brownlie T. 2014. Use of herd management programmes to improve the reproductive performance of dairy cattle. Animal. 8 Suppl. 1,199-210.

37. Morin PA, Krug C, Chorfi Y, Dubuc J, Lacasse P, Roy JP, Santschi DE and Dufour S. 2018. A randomized controlled trial on the effect of incomplete milking during early lactation on ketonemia and body condition loss in Holstein dairy cows. J. Dairy Sci. 101, 4513-26.

38. Mulling C. Theories on the pathogenesis of white line disease – an anatomical perspective. In: 12th International Symposium on Lameness in Ruminants; 2002; Orlando, Florida.

39. Mϋlling C, Bragulla H, Reese S, Budras KD and Steinberg W. 1999. How structures in bovine hoof epidermis are influenced by nutritional factors. Anat. Hist. Embryol. 28,103–8.

40. Mϋlling C and Budras KD.1998. DerInterzellularkitt (Membrane coating material). Pp: 216– 223 in Der Epidermis Der Rinderklaue. Wein. Tierärztl. Mschr. 85. Mϋlling C and Lischer CJ. 2002. New aspects.

41. Mϋlling C.K.W. and Lischer CJ, 2002. New aspects on aetiology and pathogenesis of laminitis in cattle. Proc. Of the 8th Int. Symp. On Disorders of the Ruminant Didit. Banff, Canada, p.: 25.

42. Neave FK, Dodd FH and Kingwill RG. 1966. A method of controlling udder disease. Vet. Rec. 78, 521-3.

43. Newsome RF, Green MJ, Bell NJ, Mason CS, Whay HR and Huxley JN. 2017. A prospective cohort study of digital cushion and corium thickness. Part 1: Associations with body condition, lesion incidence, and proximity to calving. J. Dairy Sci. 100,4745-58.

44. Osorio JS, Batistel F, Garrett EF, Elhanafy MM, Tariq MR, Socha MT and Loor JJ. 2016. Corium molecular biomarkers reveal a beneficial effect on hoof transcriptomics in peripartal dairy cows supplemented with zinc, manganese, and copper from amino acid complexes and cobalt from cobalt glucoheptonate. J. Dairy Sci. 99, 9974-82.

45. Pötzsch CJ, Hedges VJ, Blowey RW, Packington AJ and Green LE. 2003. The impact of parity and duration of biotin supplementation on white line disease lameness in dairy cattle. J. Dairy Sci. 86, 2577-82. Erratum in: J. Dairy Sci. 86, 3023.

46. Randall LV, Green MJ, Green LE, Chagunda MGG, Mason C, Archer SC and Huxley JN. 2018. The contribution of previous lameness events and body condition score to the occurrence of lameness in dairy herds: A study of 2 herds. J. of Dairy Sci. 101, 1311-24.

47. Relun, A, Guatteo R, Auzanneau N and Bareille M. 2013. Farmers’ practices, motivators and barriers for adoption of treatments of digital dermatitis in dairy farms. Animal 7:9, 1542-50.

48. Relun A, Lehebel A, Bareille N and Guatteo R. 2012. Effectiveness of different regimens of a collective topical treatment using a solution of copper and zinc chelates in the cure of digital dermatitis in dairy farms under field conditions. J. Dairy Sci. 95, 3722-35.

49. Ritter C, Adams CL, Kelton DF, and Barkema HW. 2018. Clinical communication patterns of veterinary practitioners during dairy herd health and production management farm visits. J. Dairy Sci. 101, 10337-50.

50. Robinson JD and Heritage J. 2006. Physicians’ opening questions and patients’ satisfaction. Patient Educ Couns. 60, 279-85.

51. Schöpke K, Weidling S, Pijl R and Swalve HH. 2013. Relationships between bovine hoof disorders, body condition traits, and test-day yields. J. Dairy Sci. 96, 679-89.

52. Sharma A and Phillips CJC. 2019. Lameness in Sheltered Cows and Its Association with Cow and Shelter Attributes Animals 9, 360.

53. Sepúlveda-Varas P, Lomb J, von Keyserlingk MAG, Held R, Bustamante H and Tadich N. 2018. Claw horn lesions in mid-lactation primiparous dairy cows under pasture-based systems: Association with behavioral and metabolic changes around calving. J. Dairy Sci. 101, 9439- 50.

54. Silverman J, Kurtz S and Draper J. 2013. A response to: Veldhuijzen et al., Communication guidelines as a learning tool: an exploration of user preferences in general practice. Patient Educ Couns. 93, 666

55. Somers JG, Frankena K, Noordhuizen-Stassen EN and Metz JH. 2003. Prevalence of claw disorders in Dutch dairy cows exposed to several floor systems. J. Dairy Sci. 86, 2082-93.

56. Sorge U, Kelton D, Lissemore K, Godkin A, Hendrick S and Wells S. 2010. Attitudes of Canadian dairy farmers toward a voluntary Johne’s disease control program. J. Dairy Sci. 93, 1491-9.

57. Svensson C, Emanuelson U, Bard AM, Forsberg L, Wickström H, and Reyher KK. 2019. Communication styles of Swedish veterinarians involved in dairy herd health management: A motivational interviewing perspective. J. Dairy Sci. 102, 10173–85.

58. Sogstad AM, Fjeldaas T, Østerås O and Forshell KP. 2005. Prevalence of claw lesions in Norwegian dairy cattle housed in tie stalls and free stalls. Prev. Vet. Med. 70, 191-209.

59. Speijers MHM, Baird LG, Finney GA, McBride J and O’Connell NE. 2010. Effectiveness of different footbaths solutions in the treatment of digital dermatitis in dairy cows J. Dairy Sci. 93, 5782-91.16

60. Telezhenko E and Bergsten C. 2005. Influence of floor type on the locomotion of dairy cows. Appl. Anim. Behav. Sci. 93, 183-97.

61. Thomas HJ, Remnant JG, Bollard NJ, Burrows A, Whay HR, Bell NJ, Mason C and Huxley JN. 2016. Recovery of chronically lame dairy cows following treatment for claw horn lesions: a randomised controlled trial. Vet. Rec.178, 116.

62. Thomsen PT, Sørensen JT and Ersbøll AK. 2008. Evaluation of Three Commercial Hoof-Care Products Used in Footbaths in Danish Dairy Herds. J. Dairy Sci. 91, 1361-65.

63. Tomlinson DJ, Mülling CH and Fakler TM. 2004. Invited review: formation of keratins in the bovine claw: roles of hormones, minerals, and vitamins in functional claw integrity. J. Dairy Sci. 87, 797-809.

64. Toussaint Raven E. 1977. Klauwverzorging bij het Rund, Uitgave: De Uithof, Utrecht.

65. Van der Tol PPJ. Metz JHM, Noordhuizen-Stassen EN, Back W, Braam CR and Weijs WA. 2002. The pressure distribution under the bovine claw during square standing on a flat substrate. J. Dairy Sci., 85, 1476-81.

66. Vermunt JJ. Herd lameness: a review, major causal factors, and guidelines for prevention and control. In: Proc. of the 13th Int. symp. and 5lh Conf. on Lameness in Ruminants. 11th – 15th Feb. 2004. Maribor, Slovenija. pp 1-15.

67. Vries de M, Bokkers EA, van Reenen CG, Engel B, van Schaik G, Dijkstra T and de Boer IJ. 2015. Housing and management factors associated with indicators of dairy cattle welfare. Prev. Vet. Med. 118, 80-92.

68. Wang DM, Zhang BX, Wang JK, Liu HY and Liu JX. 2018. Effect of dietary supplements of biotin, intramuscular injections of vitamin B12, or both on postpartum lactation performance in multiparous dairy cows. J. Dairy Sci. 101, 7851-56.

69. Weber J, Richter S and Freick M. 2019. Comparison of the therapeutic efficacy of salicylic acid paste with a polyurethane wound dressing for the treatment of digital dermatitis lesions in dairy cows. Res. In Vet. Sci. 125, 7-13.

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen