Surveillance van zoönoseverwekkers in de melkgeiten- en melkschapenhouderij

Om jaarlijks de prevalentie van zoönoseverwekkers bij landbouwhuisdieren te melden bij de European Food Safety Authority, hebben de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) samen een zoönosesurveillanceprogramma opgezet. Het onderzoek bij landbouwhuisdieren wordt gecombineerd met onderzoek naar dezelfde pathogenen bij veehouders, gezinsleden en medewerkers.

In 2014 werd gestart met de vleesvarkenshouderij en in 2015 zijn legpluimveebedrijven onderzocht (van Roon et al., 2018). In dit artikel worden de resultaten van het onderzoek bij melkgeiten en melkschapen uit 2016 gepresenteerd (Opsteegh et al., 2018).

Onderzoeksmethodiek

Uit de onderzoekspopulatie van 350 melkgeitenbedrijven werd een random selectie gemaakt. Alle commerciële melkschapenbedrijven (40) zijn geïncludeerd. Op de bedrijven zijn vijf mengmonsters bestaande uit twaalf schepjes verse mest van de grond genomen en werd met de veehouder een bedrijfsvragenlijst ingevuld voor de risicofactoranalyse. De mestmonsters zijn onderzocht op het voorkomen van Campylobacter, ESBL-producerende E. coli, Listeria monocytogenes, Salmonella en Shiga toxine-producerende E. coli (STEC). Van de humane deelnemers werd ingestuurde ontlasting onderzocht op Campylobacter, ESBL-producerende E. coli en deels op STEC. Voor het onderzoek naar Cryptosporidium werden de bedrijven apart verzocht mest op te sturen van lammeren van één tot vier weken oud met diarree.

Resultaten

In totaal zijn mestmonsters van 183 melkgeitenhouderijen en 24 melkschapenbedrijven onderzocht. Op negen melkgeiten- en zeven melkschapenbedrijven uit deze studie werden rauwmelkse producten geproduceerd. Alle onderzochte pathogenen zijn aangetoond,
met uitzondering van Salmonella bij melkgeiten.

Dit was gezien de prevalentie alleen mogelijk voor Campylobacter en Listeria bij melkgeitenbedrijven. Daarnaast hebben 163 veehouders, gezinsleden en medewerkers, afkomstig van 84 bedrijven, ontlastingsmonsters ingestuurd. ESBL-producerende E. coli werd aangetoond bij 6,8 procent en STEC bij 5,9 procent van de deelnemers (tabel 2). Bij twee deelnemers werd zowel ESBL-producerende E. coli als STEC aangetoond.

Campylobacter

Campylobacter kwam veel voor en de bedrijfsprevalentie was significant hoger op melkschapen- (95,8%) dan op melkgeitenbedrijven (33%). Uit typering van 77 isolaten bleek 22 procent van de isolaten C. coli en 78 procent C. jejuni. Een deel van de isolaten vertoonde verminderde gevoeligheid voor ciproflaxine (10%), nalidixinezuur (10%) en tetracycline (9%). Daarnaast werd op twee melkschapenbedrijven C. fetus aangetoond. Op melkgeitenbedrijven bleek de aanwezigheid van runderen op het bedrijf en het buiten lopen van de geiten geassocieerd met de aanwezigheid van Campylobacter. Bij de humane deelnemers werd geen Campylobacter aangetoond.

ESBL-producerende E. coli

Op drie geiten- (1,7%) en één schapenbedrijf (4,1%) zijn ESBL-producerende E. coli aangetoond in de mest. Bij deelnemers van negen bedrijven werd ESBL-producerende E. coli geïsoleerd. Op de bijbehorende bedrijven werd geen ESBL-producerende E. coli aangetoond in de dierlijke mest.

Listeria

Op 8,8 procent van de geitenbedrijven en 16,7 procent van de schapenbedrijven werd Listeria gevonden. Uit deze surveillance zijn 27 isolaten getypeerd en bleken er 12 type IIa, 6 IIb, 1 IIc en 8 IVb. Op melkgeitenbedrijven bleken het gebruik van oppervlaktewater als drinkwater en problemen met muizen en ratten geassocieerd met het voorkomen van Listeria.

Salmonella

Op drie schapenbedrijven (12,5%) werd Salmonella aangetoond, op alle bedrijven was dit het type S. enterica subsp. diarizonae 61;k;1,5,(7). Daarnaast werd op één bedrijf ook S. Infantis aangetoond.

STEC

STEC werd op nagenoeg alle bedrijven aangetoond. In totaal werden 304 unieke STEC-isolaten gevonden. Op één melkgeitenbedrijf werd STEC O157:H7 aangetoond. De meest voorkomende non-O157 serotypes waren O146:H21 (69x), O76:H19 (34x) en O166:H28 (30x). Bij deelnemers van één schapenbedrijf en zeven geitenbedrijven werd STEC aangetoond. Op twee bedrijven kwamen het STEC serotype en de stx genen van het humane monster overeen met het isolaat gevonden in de dierlijke mest.

Cryptosporidium

Er werden elf fecesmonsters van lammeren met diarree ontvangen waarvan acht (73%) positief bleken met qPCR (zes geitenlammeren en twee schapenlammeren). Van deze monsters konden vijf worden getypeerd als C. parvum type IIaA15G2R1.

Discussie en conclusie

In deze studie zijn mestmonsters van melkgeiten- en melkschapenbedrijven onderzocht op het voorkomen van Campylobacter, ESBL-producerende E. coli, Listeria, Salmonella en STEC. De meest opvallende bevinding was dat op bijna alle bedrijven STEC werd aangetroffen. O146:H21, het meest voorkomende serotype in deze studie, was in 2016 één van de meest voorkomende non-O157 STEC types bij mensen. Humane infecties met dit serotype worden op basis van een Nederlandse attributiestudie voor meer dan 70 procent toegeschreven aan kleine herkauwers (Mughini-Gras et al., 2017). Er is weinig data beschikbaar over STEC-dragerschap in de algemene bevolking om de prevalentie van STEC onder veehouders, medewerkers en gezinsleden (5,9%) mee te vergelijken. Op twee bedrijven hadden mens en dier dezelfde STEC serotypes en identieke stx genen. Het is belangrijk de implicaties van deze hoge prevalentie van STEC voor de volksgezondheid verder te onderzoeken. Campylobacter kan bij zowel mens als dier diarree veroorzaken. Een infectie met Campylobacter is de meest voorkomende voedselinfectie in Nederland. Bij kleine herkauwers is Campylobacter een veroorzaker van abortus (van den Brom et al., 2012). Campylobacter werd op melkschapenbedrijven vaker aangetoond dan bij melkgeiten. Bij geen van de humane deelnemers werd Campylobacter aangetoond. Dit is mogelijk een onderschatting omdat verzending van ontlasting per post invloed kan hebben gehad op de overleving van Campylobacter. Naast C. coli en C. jejuni werd bij twee schapenbedrijven ook C. fetus gevonden. Deze Campylobacter geeft griepachtige verschijnselen en kan bij zwangere vrouwen spontante abortus veroorzaken. ESBL-producerende E. coli werden slechts op een klein deel van de bedrijven gevonden. De prevalentie onder humane deelnemers wijkt niet af van de prevalentie onder de algemene bevolking (5-10%) (Huijbers et al., 2013; Reuland et al., 2013). Daarnaast was er geen associatie met het voorkomen van ESBL-producerende E. coli bij dieren op het bedrijf. Listeria werd aangetoond op 21 bedrijven. Listeria-infectie kan bij kleine herkauwers hersenverschijnselen, sepsis, abortus en sterfte veroorzaken. Slecht gefermenteerd kuilvoer is een belangrijke bron van infectie bij herkauwers (Schoder et al., 2011). In deze studie was de kwaliteit van het ruwvoer geen onderdeel van de bedrijfsvragenlijst. Wel kwamen andere risicofactoren naar voren: oppervlaktewater als drinkwater en problemen met ratten en muizen. Voor Listeria-infectie bij de mens zijn rauwe melk en rauwmelkse kazen bekende bronnen.
De bij drie melkschapenbedrijven gevonden Salmonella enterica subsp. diarizonae is geen risico voor de mens. Schapen dragen deze bacterie bij zich zonder ziek te worden, hoewel er recent een verband is gevonden met chronische proliferatieve rhinitis (Stokar-Regenscheit et al., 2017). Op één melkschapenbedrijf werd Salmonella Infantis gevonden, een serotype dat diarree bij mensen kan veroorzaken.

Er zijn slechts een klein aantal monsters van lammeren met diarree ontvangen voor Cryptosporidiumonderzoek. Het C. parvum type IIaA15G2R1 dat werd aangetoond, kan ook bij mensen diarree veroorzaken.

Deze studie bevestigt dat er op melkgeiten- en melkschapenbedrijven zoönotische ziekteverwekkers voorkomen, die bijvoorbeeld via direct contact, via het milieu, of via rauwe melk en rauwmelkse kaas kunnen worden overgedragen op de mens.

Bezoekers kunnen de kans op ziekte verkleinen door goed hun handen te wassen als na contact met de dieren of hun omgeving.
C. fetus en Listeria vormen vooral een risico voor zwangere vrouwen. Het is belangrijk dat veehouders en gezinsleden, maar ook dierenartsen en bezoekers, tijdens de zwangerschap contact met kleine herkauwers vermijden.

Met dank aan de deelnemers, Coen van der Weijden en Olaf Stenvers (NVWA), Kitty Maassen, Engeline van Duijkeren, Paul Hengeveld, El Bouw en Cecile Dam-Deisz (RIVM), en de inspecteurs en analisten van de NVWA.

Tekst Marieke Opsteegh1 , Annika van Roon1, Tryntsje Cuperus1, Cindy Dierikx1, Rianne Hagen-Lenselink2, Angela van Hoek1, Mathilde Uiterwijk1,
Menno van der Voort2, Ben Wit2, Joke van der Giessen1 

1 RIVM, Centrum Infectieziektebestrijding, Postbus 1, 3720 BA Bilthoven
2 NVWA, Postbus 43006, 3540 AA Utrecht

Tabellen en referenties

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen