Surveillance van zoönoseverwekkers in de vleesveehouderij

Iedere lidstaat van de Europese Unie moet jaarlijks de prevalentie van zoönoseverwekkers bij landbouwhuisdieren melden aan de European Food Safety Authority (EFSA), die op Europees niveau rapporteert en trendanalyses uitvoert. Voor Nederland meldt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) deze gegevens aan de EFSA. Sinds 2013 voert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) samen met de NVWA een zoönosesurveillanceprogramma uit. In dit programma wordt onderzoek bij landbouwhuisdieren gecombineerd met onderzoek naar dezelfde pathogenen bij veehouders, gezinsleden en medewerkers.

Tekst: Tryntsje Cuperus1, Marieke Opsteegh1, Ben Wit2, Cindy Dierikx1, Paul Hengeveld1, Cecile Dam-Deisz1, Mathilde Uiterwijk1, Jeroen Roelfsema1, Angela van Hoek1, Joke van der Giessen1

1 RIVM, Centrum Infectieziektebestrijding, Postbus 1, 3720 BA Bilthoven
2 NVWA, Postbus 43006, 3540 AA Utrecht

Iedere lidstaat van de Europese Unie moet jaarlijks de prevalentie van zoönoseverwekkers bij landbouwhuisdieren melden aan de European Food Safety Authority (EFSA), die op Europees niveau rapporteert en trendanalyses uitvoert. Voor Nederland meldt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) deze gegevens aan de EFSA. Sinds 2013 voert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) samen met de NVWA een zoönosesurveillanceprogramma uit. In dit programma wordt onderzoek bij landbouwhuisdieren gecombineerd met onderzoek naar dezelfde pathogenen bij veehouders, gezinsleden en medewerkers.

In 2018 zijn in dit tijdschrift de resultaten gepubliceerd van het onderzoek bij vleesvarkens uit 2013 en leghennen uit 2015 (van Roon et al., 2018) en het onderzoek bij melkgeiten en –schapen uit 2016 (Opsteegh et al., 2018). In dit artikel worden de resultaten van het onderzoek bij vleesrunderen uit 2017 gepresenteerd (Cuperus et al., 2019).

Onderzoeksmethodiek

Nederland telt ongeveer 1300 vleesveebedrijven met minimaal 20 stuks vleesvee (ouder dan 6 maanden). Uit deze populatie werden random bedrijven geselecteerd waarbij de kans op selectie groter was bij grotere bedrijven. Op de geselecteerde bedrijven zijn zes mengmonsters genomen, elk bestaand uit vijf schepjes verse mest van volwassen vleesrunderen uit de stal of de weide. De mestmonsters zijn onderzocht op het voorkomen van Campylobacter, Salmonella en ESBL-producerende E. coli. Daarnaast is per bedrijf één mengmonster onderzocht op Shigatoxine-producerende E. coli (STEC) en één of twee mengmonsters op Cryptosporidium. Van de humane deelnemers werd ingestuurde ontlasting onderzocht op bovengenoemde ziekteverwekkers.

Resultaten

In totaal zijn mestmonsters van 196 vleesveebedrijven onderzocht. Met uitzondering van Cryptosporidium zijn alle onderzochte pathogenen aangetoond (tabel 1). Daarnaast hebben 129 veehouders, gezinsleden en medewerkers, afkomstig van 74 bedrijven, ontlastingsmonsters ingestuurd. In deze groep deelnemers werd Campylobacter, ESBL-producerende E. coli, STEC en Cryptosporidium aangetoond (tabel 2).

Campylobacter
Campylobacter werd op veel vleesveebedrijven gevonden (85,5%). Uit typering van 97 isolaten bleek 93 procent van de isolaten C. jejuni en 7 procent bleek C. coli te zijn. Een deel van de isolaten vertoonde verminderde gevoeligheid voor ciprofloxacine (24%), nalidixinezuur (27%) en tetracycline (21%). Bij twee humane deelnemers werd Campylobacter aangetoond (C. jejuni en C. lari), maar er werd geen Campylobacter gevonden op de bijbehorende bedrijven.

ESBL-producerende E. coli
Op 28 vleesveebedrijven (14,6%) zijn ESBL-producerende E. coli aangetoond in de mest. Alle gevonden isolaten waren verminderd gevoelig voor tenminste twee van de geteste twaalf antibioticaklassen. Bij negen deelnemers van acht bedrijven werden ESBL-producerende E. coli geïsoleerd. In de mengmonsters van vier van deze bedrijven is eveneens ESBL-producerende E. coli aangetroffen. In één van deze gevallen komt zowel het type E. coli (Sequence Type 683) als het ESBL gen (blaCTX-M-65) overeen tussen het monster van het vleesvee en de deelnemer.

Salmonella
Op zeven vleesveebedrijven werd Salmonella aangetoond. Er werden vijf verschillende types Salmonella aangetroffen, waaronder S. Dublin en de monofasische variant van S. Typhimurium 1,4,[5],12:1:-. Bij geen van de humane deelnemers werd Salmonella gevonden.

STEC
STEC werd op 48 bedrijven (24,9%) aangetoond. Op zes bedrijven werd meer dan één STEC-serotype aangetroffen, waardoor in totaal 54 unieke STEC-serotypen werden gevonden. Op acht bedrijven werd STEC O157:H7 aangetoond. De meest voorkomende non-O157 serotypes waren O136:H12 (8x) en O182:H25 (4x). Bij één deelnemer werd STEC aangetoond (serotype O103:H2). In het onderzochte mengmonster van het bijbehorende bedrijf is geen STEC aangetroffen.

Cryptosporidium
Op géén van de bedrijven werd Cryptosporidium gevonden. Bij één deelnemer werd Cryptosporidium gevonden. Soorttypering (C. parvum of C. hominis) van de gevonden Cryptosporidium bleek technisch niet mogelijk te zijn.

Conclusie en discussie
In deze studie zijn mestmonsters van vleesveebedrijven onderzocht op het voorkomen van Campylobacter, ESBL-producerende E. coli, Salmonella, STEC en Cryptosporidium. Vooral Campylobacter werd op veel bedrijven gevonden. Campylobacter kan bij zowel mens als dier diarree veroorzaken. In Nederland is Campylobacter de belangrijkste oorzaak van een voedselinfectie. Geschat wordt dat rundvee na pluimvee in Nederland de meest voorkomende bron is van campylobacteriose bij mensen (Mughini Gras et al., 2012). Beroepsmatig contact met dieren wordt in deze studie als risicofactor genoemd voor besmetting met Campylobacter vanuit runderen. Dit is ook in studies uit andere landen beschreven (Davis et al., 2013; Levesque et al., 2013). Dit risico blijkt niet direct uit onze studie, waar slechts bij twee deelnemers Campylobacter werd gevonden, maar niet bij de bijbehorende bedrijven. In één geval was dit een type (C. lari) dat voornamelijk bij watervogels en schelpdieren wordt gevonden.
ESBL-producerende E. coli werd op 14,6% van de bedrijven gevonden. De prevalentie onder humane deelnemers wijkt niet af van de prevalentie onder de algemene bevolking (5-10%) (Van den Bunt et al., 2019). In één geval werd hetzelfde ESBL-type gevonden bij dier en mens. Hier is dus mogelijk sprake van transmissie tussen vleesvee en de veehouder.
Salmonella werd bij zeven vleesveebedrijven gevonden. Op twee bedrijven was dit monofasische S. Typhimurium 1,4,[5],12:i:-. Dit serotype was in 2017 het tweede meest voorkomende serotype in Salmonella-infecties bij de mens (Van Pelt et al., 2018). Daarnaast werd op één bedrijf S. Dublin gevonden, één van de belangrijkste pathogene Salmonellaserotypen bij runderen. S. Dublin kan bij runderen leiden tot onder andere longklachten, diarree en abortus (Nielsen, 2013).
STEC werd op ongeveer een kwart van de bedrijven gevonden. In acht gevallen was dit STEC O157, één van de belangrijkste serotypen bij de mens. Tussen 2007 en 2017 waren de meest voorkomende non-O157 serotypes bij de mens O26, O63, O91, O103 en O146 (Uiterwijk et al., 2018). Van deze typen zijn er drie (O26, O91 en O103) ook in deze studie gevonden. De enige STEC-positieve deelnemer kwam van een bedrijf waar bij de dieren geen STEC werd gevonden. Deze deelnemer droeg het STEC-serotype O103:H2. Dit type STEC is in 2017 in Duitsland en Oostenrijk beschreven als oorzaak van een uitbraak van gastro-enteritis gerelateerd aan het drinken van rauwe koemelk (Mylius et al., 2018).
In de mestmonsters van het vleesvee werd geen Cryptosporidium aangetoond. Cryptosporidium leidt voornamelijk bij jonge dieren tot klinische symptomen. In kalveren worden regelmatig hoge prevalenties beschreven (Bartels et al., 2010; Rieux et al., 2014). In deze studie werden alleen dieren van zes maanden of ouder bemonsterd, waar de uitscheidingsniveau’s van Cryptosporidium waarschijnlijk laag zijn (Fayer et al., 2007). Eén humane deelnemer was positief voor Cryptosporidium. Naast zoönotische overdracht kan Cryptosporidium ook van mens tot mens, via water en via voedsel worden overgedragen. Bovendien gaf deze deelnemer aan naast contact met vleesvee ook regelmatig in contact te komen met vleeskalveren en vleesschapen, die ook een bron van Cryptosporidiumbesmetting kunnen zijn.
Deze studie bevestigt dat op vleesveebedrijven zoönotische ziekteverwekkers voorkomen, die bijvoorbeeld via direct contact, via het milieu, of via vlees kunnen worden overgedragen op de mens. Een besmetting kan worden voorkomen door alleen rundvlees te eten als het goed gaar is. Daarnaast is een goede handhygiëne belangrijk om besmetting te voorkomen, zoals handen wassen na contact met dieren of mest en niet eten in de stallen.

Tabel 1 Prevalentie op vleesveebedrijven

Tabel 2 Prevalentie onder veehouders, medewerkers en gezinsleden

Met dank aan de deelnemers, Coen van der Weijden en Olaf Stenvers (NVWA), Kitty Maassen en Engeline van Duijkeren (RIVM) en de inspecteurs en analisten van de NVWA.

Referenties
Bartels, C.J., Holzhauer, M., Jorritsma, R., Swart, W.A., Lam, T.J., 2010. Prevalence, prediction and risk factors of enteropathogens in normal and non-normal faeces of young Dutch dairy calves. Prev Vet Med 93, 162-169.
Cuperus, T., Opsteegh, M., Wit, B., Dierikx, C., Hengeveld, P.D., Dam-Deisz, C., Uiterwijk, M., Roelfsema, J.H., Van Hoek, A.H., Van der Giessen, J., 2019. Surveillance zoönosen in vleesrunderen 2017, (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM 2019-0081)
Davis, M.A., Moore, D.L., Baker, K.N., French, N.P., Patnode, M., Hensley, J., Macdonald, K., Besser, T.E., 2013. Risk factors for campylobacteriosis in two washington state counties with high numbers of dairy farms. Journal of clinical microbiology 51, 3921-3927.
Fayer, R., Santin, M., Trout, J.M., 2007. Prevalence of Cryptosporidium species and genotypes in mature dairy cattle on farms in eastern United States compared with younger cattle from the same locations. Veterinary parasitology 145, 260-266.
Levesque, S., Fournier, E., Carrier, N., Frost, E., Arbeit, R.D., Michaud, S., 2013. Campylobacteriosis in urban versus rural areas: a case-case study integrated with molecular typing to validate risk factors and to attribute sources of infection. PLoS ONE 8, e83731.
Mughini Gras, L., Smid, J.H., Wagenaar, J.A., de Boer, A.G., Havelaar, A.H., Friesema, I.H., French, N.P., Busani, L., van Pelt, W., 2012. Risk factors for campylobacteriosis of chicken, ruminant, and environmental origin: a combined case-control and source attribution analysis. PLoS ONE 7, e42599.
Mylius, M., Dreesman, J., Pulz, M., Pallasch, G., Beyrer, K., Claussen, K., Allerberger, F., Fruth, A., Lang, C., Prager, R., Flieger, A., Schlager, S., Kalhofer, D., Mertens, E., 2018. Shiga toxin-producing Escherichia coli O103:H2 outbreak in Germany after school trip to Austria due to raw cow milk, 2017 – The important role of international collaboration for outbreak investigations. International journal of medical microbiology : IJMM 308, 539-544.
Nielsen, L.R., 2013. Review of pathogenesis and diagnostic methods of immediate relevance for epidemiology and control of Salmonella Dublin in cattle. Vet Microbiol 162, 1-9.
Opsteegh, M., Van Roon, A., Cuperus, T., Dierikx, C., Hagen-Lenselink, R., Van Hoek, A.H., Uiterwijk, M., Van der Voort, M., Wit, B., Van der Giessen, J., 2018. Surveillance van zoönoseverwekkers in de melkgeiten- en melkschapenhouderij. Tijdschrift voor diergeneeskunde 143, 35-37.
Rieux, A., Paraud, C., Pors, I., Chartier, C., 2014. Molecular characterization of Cryptosporidium isolates from beef calves under one month of age over three successive years in one herd in western France. Veterinary parasitology 202, 171-179.
Uiterwijk, M., Keur, I., Friesema, I., Rozendaal, H., Holtslag, M., Van den Kerkhof, H., Kortbeek, L.M., Maassen, C.B., 2018. Staat van Zoönosen 2017, (RIVM,
Van den Bunt, G., Van Pelt, W., Hidalgo, L., Scharringa, J., De Greeff, S.C., Schürch, A.C., Mughini Gras, L., Bonten, M.J., Fluit, A.C., 2019. Prevalence, risk factors and genetic characterization of Extended-Spectrum Beta-Lactamase and Carbapenemase-producing Enterobacteriaceae (ESBL-E and CPE): a community-based cross-sectional study in the Netherlands from 2014 to 2016. Euro surveillance : bulletin Europeen sur les maladies transmissibles = European communicable disease bulletin Accepted.
Van Pelt, W., Van der Voort, M., Mangen, M.J., Veldman, K.T., Wit, B., Franz, E., Heck, M., Pijnacker, R., Friesema, I., Mughini Gras, L., 2018. Salmonella in Nederland in 2017. Infectieziekten Bulletin 29.
van Roon, A., Opsteegh, M., Van der Voort, M., Stenvers, O., Wit, B., Dierikx, C., Maassen, C.B.M., Van der Giessen, J., 2018. Surveillance van zoönosenverwekkers in de veehouderij. Tijdschrift voor diergeneeskunde 124, 32-35.

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen