Vaccinatie en salmonellamonitoring

In de varkenshouderij ligt de laatste jaren steeds meer nadruk op controle en bestrijding van Salmonella-infecties. Belangrijkste reden voor de aanpak van Salmonella in de varkenshouderij is het belang voor de volksgezondheid. Bij humane voedselinfecties spelen Salmonella spp. afkomstig uit varkens een belangrijke rol (Pires, et al., 2014). Volgens het laatste EFSA-rapport blijven Salmonella-infecties een groot aandeel hebben in zoönotische infecties. En hoewel hun ernst vaak mee valt stonden ze in 2017 nog altijd op een tweede plaats in de lijst met meest gerapporteerde zoönoses (EFSA, 2018).

Tekst: Tim van Sprang, dierenarts

In de varkenshouderij ligt de laatste jaren steeds meer nadruk op controle en bestrijding van Salmonella-infecties. Belangrijkste reden voor de aanpak van Salmonella in de varkenshouderij is het belang voor de volksgezondheid. Bij humane voedselinfecties spelen Salmonella spp. afkomstig uit varkens een belangrijke rol (Pires, et al., 2014). Volgens het laatste EFSA-rapport blijven Salmonella-infecties een groot aandeel hebben in zoönotische infecties. En hoewel hun ernst vaak mee valt stonden ze in 2017 nog altijd op een tweede plaats in de lijst met meest gerapporteerde zoönoses (EFSA, 2018).

Om een risicogestuurde aanpak in het slachthuis mogelijk te maken, wordt de Salmonellastatus van varkensbedrijven gemonitord. De basis van deze monitoring is serologisch onderzoek. Van ieder bedrijf worden per trimester twaalf bloedmonsters onderzocht. De onderzochte bedrijven worden op basis van de OD-waardes van deze bloedmonsters ingedeeld in verschillende categorieën, waarbij categorie 1 een laag risico vertegenwoordigt, en categorie 3 een hoog risico.

Tabel 1
categorie indeling gehanteerd in het Nederlandse Salmonella controle programma

Vaccinatie
Bij de bestrijding van Salmonella-infecties bij varkens kan vaccinatie met Salmoporc®, (IDT Biologika) waardevol zijn. Dit vaccin zorgt volgens de SPC voor actieve immunisatie van zeugen en gelten ter vermindering van de uitscheiding van Salmonella Typhimurium-veldstammen tijdens de lactatie en is daarnaast geregistreerd voor actieve immunisatie van zuigende en gespeende biggen ter vermindering van de bacteriële kolonisatie en uitscheiding en vermindering van klinische symptomen als gevolg van een infectie met Salmonella Typhimurium (SPC) (Springer, et al., 2001). Vaccinatie zou dus een goede manier zijn om het aantal Salmonella-positieve koppels aan de slachtlijn te verminderen (Smith, et al., 2017).
Na vaccinatie is er verhoging van de antistoftiter waarneembaar (Springer, et al., 2001) waarbij een vaccinatie subcutaan duidelijk hogere antistofniveaus geeft dan een orale vaccinatie (Eddicks, et al., 2007) (Theuß, et al., 2017). Een vaccinatie kan dus de serologische beoordeling van een koppel beïnvloeden.
Op vleesvarkenbedrijven zijn strikte reiniging en desinfectie en ‘batch’-management belangrijke maatregelen die genomen kunnen worden om de prevalentie van Salmonella spp. te verlagen (Lo Fo Wong, et al., 2004) (Lo Fo Wong, et al., 2002). Daarnaast is de aanvoer van biggen met een lage Salmonellaprevalentie een belangrijke maatregel (Swanenburg, et al., 2001) (Van Der Heijden, et al., 2005). In de praktijk betekent dit vaak dat biggen worden aangevoerd die serologisch negatief moeten zijn; hierbij wordt een afkapwaarde OD%<10 gehanteerd.
Biggen kunnen niet enkel antistoffen krijgen via actieve immunisatie, maar ook passief via de biest. Mogelijk interfereert daardoor niet alleen een orale vaccinatie van biggen maar ook een subcutane vaccinatie van de zeugen met het selectiecriterium voor serologisch Salmonellanegatieve biggen.
In de praktijk ontstaat hierdoor het probleem dat een vaccinatie, bedoeld om de prevalentie van Salmonella bij slachtvarkens te verminderen, ertoe leidt dat gevaccineerde koppels varkens maar zelfs koppels varkens uit moeders die gevaccineerd zijn, zorgt dat de dieren minder gewild zijn dan varkens waarbij deze maatregelen niet genomen zijn.

Probleem

In het voorjaar van 2018 kregen we bij een van onze klanten te maken met dit probleem. De handelaar die de biggen met een gewicht van 25 kilogram verkocht aan vaste afnemers in Duitsland kwam met het verzoek iets te doen aan de Salmonella-infectie bij deze varkens. Uit een maandelijkse serologische screening van de biggen vlak voor afleveren op een leeftijd van tien weken bleek dat er bij iedere test enkele dieren serologisch positief waren. De Duitse afnemers waren hier verontrust over. Onderdeel van ons plan van aanpak was naast een verhoogde interne biosecurity ook een vaccinatie bij de zeugen met Salmoporc om de uitscheiding in de kraamstal te verminderen.
Toen de eerste biggen uit deze aangepaste werkwijze een leeftijd van tien weken hadden en serologisch onderzocht werden leken alle genomen maatregelen een averechts effect te hebben gehad. In plaats van een enkele serologisch positieve big waren nu alle biggen serologisch positief. En dit bleef ook in de daarop volgende groepen het geval.
In de discussie die volgde met zowel de dierenarts van de afnemers als de handelaar, concludeerden we dat er onvoldoende kennis was om te kunnen zeggen of we te maken hadden met restanten van maternale antistoftiters, of dat de biggen al geïnfecteerd waren met Salmonella. Ook in de literatuur over dit onderwerp was onvoldoende bekend om hier een uitspraak over te kunnen doen. Dus hebben we, wetenschappelijk geïnteresseerd als we zijn, besloten dit zelf uit te zoeken.

Onderzoek

We volgden twee groepen dieren. De zeugen in groep 1 kregen een subcutane vaccinatie (1ml) met Salmoporc® (IDT Biologika GmbH) op 6 en 2 weken voor het werpen. De zeugen in groep 2 hadden minimaal 4 maanden voor het werpen geen vaccinatie met Salmoporc® gekregen.
In beide groepen werden veertien tomen geselecteerd met een gemiddelde samenstelling. De criteria die we hiervoor hanteerden waren: tussen vijftien en zeventien levend geboren biggen, niet meer dan één doodgeboren big en geen negatieve uitschieter in bigvitaliteit. Op die manier sloten we extreme tomen met een hoge kans op een afwijkende biestopname uit.
In iedere toom werd op dag 1 tussen 12 en 24 uur na de geboorte een big geselecteerd en deze big werd vervolgens wekelijks bemonsterd. Bloedmonsters werden afgenomen uit de vena jugularis in een serum gelstolbuis (Monovette serum GEL 9 mL). Het bloed werd iedere keer direct gekoeld verzonden en binnen enkele dagen in een ELISA onderzocht op Salmonella-antistoffen. De test werd uitgevoerd door VLG-BV in Epe, zij maken gebruik van een HerdCheck Swine Salmonella ELISA (Idexx) (Rossi, et al., sd). De biggen werden bemonsterd totdat de eerste biggen op ongeveer tien weken leeftijd opgelegd werden in de vleesvarkensstal.
In figuur 1 zijn de resultaten van alle monstername momenten weer gegeven.


Figuur 1 Salmonella OD-waarden bij biggen lft. 1-67 dgn.
De Salmonella OD-waarden van de biggen uit groep 1 dalen bijna evenwijdig. De biggen met hogere OD-waarden op d1 hebben ook op 10 weken leeftijd de hogere waardes. Hierbij valt daarnaast op dat slechts een 25% van de monsters aan het einde van de proef een OD-waarde 136 hebben, zullen op 10-weken leeftijd nog niet negatief zijn.
We hebben zo onze discussie kunnen afronden en gebruiken de gevonden vuistregel nu om de serologische waardes op dag 1 en dag 70 te vergelijken en te controleren dat de biggen geen Salmonella infecties opgelopen hebben in de eerste 10 weken van hun leven.

Extra bij ‘Vaccinatie en Salmonellamonitoring’ – literatuur
Referenties
Eddicks, M. et al., 2007. Evaluation of the tolerability of the Salmonella Typhimurium live vaccine Salmoporc® for oral administration in three day old piglets. sl, Iowa State University, Digital Press, pp. 272-274.
EFSA, 2018. The European Union summary report on trends and sources of zoonoses, zoonotic agents and food‐borne outbreaks in 2017. EFSA Journal, 1 12.16(12).
Lo Fo Wong, D. et al., 2004. Herd-level risk factors for subclinical Salmonella infection in European finishing-pig herds. Preventive Veterinary Medicine, 16 4, 62(4), pp. 253-266.
Lo Fo Wong, D., Hald, T., van der Wolf, P. & Swanenburg, M., 2002. Epidemiology and control measures for Salmonella in pigs and pork. Livestock Production Science, 1 9, 76(3), pp. 215-222.
Pires, S., Vieira, A. R., Hald, T. & Cole, D., 2014. Source Attribution of Human Salmonellosis: An Overview of Methods and Estimates. Foodborne Pathogens and Disease, pp. 667-676.
Rossi, A., Ballagi, A. & Goetz, C., sd Use of ELISA HerdChek® Swine Salmonella for Evaluation and Monitoring Salmonella in Swine Herds, sl: sn
Springer, S., Lindner, T., Steinbach, G. & Selbitz, H.-J., 2001. Investigation of the efficacy of a genetically-stabile live Salmonella typhimurium vaccine for use in swine. Berl. Münch. Tierarztl. Wschr., Volume 114, pp. 342-345.
Swanenburg, M. et al., 2001. Epidomiological investigations into the sources of Salmonella contamination of pork. sl, sn, pp. 301-303.
Theuß, T. et al., 2017. Immunogenic potential of a Salmonella Typhimurium live vaccine for pigs against monophasic Salmonella Typhimurium DT 193. BMC Veterinary Research, 17 12, 13(1), p. 343.
Van Der Heijden, M., Van Dam, H., Niewerth, D. & Frankena, K., 2005. EFFECTIVENESS OF SALMONELLA CONTROL STRATEGIES IN FATTENING PIGS. sl, sn, pp. 145-148.

Om te kunnen reageren op een bericht dient u ingelogd te zijn.


Inloggen